Plus75 jaar vrijheid

Arnon Grunberg keert terug naar Zuid: ‘Het leven was elders, de dood was hier’

Toen schrijver Arnon Grunberg (49) opgroeide in Amsterdam-Zuid, was het vredestijd. Toch was het verleden thuis en in de buurt nooit ver weg. De coronacrisis bracht hem terug naar zijn ouderlijk huis. ‘In Zuid werd lethargischer gewacht op het leven, met nog meer berusting dan elders.’

De Beethovenstraat.Beeld Sjoukje Bierma

Jaren geleden zei ik tegen een vriend dat ik me mijn puberteit herinner als een langdurig en heftig verlangen Amsterdam-Zuid te verlaten; daar blijven was langzaam doodgaan. Een verlangen dat diverse verschijningsvormen aannam, maar dat nauwelijks minder sterk werd. Het ging er niet om dat er zoveel mis was met Amsterdam-Zuid of met Amsterdam an sich. Je wilt nu eenmaal de stad of het dorp waar je vandaan komt verlaten, zoals de misdadiger de plaats delict achter zich laat, gehaast, wetend dat zijn lot er voor altijd mee verbonden zal blijven – dat bewijsmateriaal, dat gruwelijke geheim zal hem blijven achtervolgen.

De plaats delict zal altijd wel een combinatie van walging en fascinatie oproepen, een met schuld doordesemd oord; het mos belichaamt de verzachtende omstandigheden, de schimmel op etensresten wilsonbekwaamheid en het onkruid de absurde verwachtingen. Zo je al eenzaamheid kunt leren, dan daar. De beste leerschool doet je tevens inzien dat er wat onschuld moet overblijven, opdat je die later nog eens kunt verliezen. Leven is onschuld verliezen, druppel na druppel, botje voor botje.

Kan de eigen jeugd iets anders zijn dan een plaats delict?

Geleidelijk aan kwam ik erachter dat er mensen waren die juist hartstochtelijk in Zuid wensten te blijven, of op andere plekken waar ze toevallig waren opgegroeid, en die rondom dat verlangen een identiteit, soms zelfs een hele ideologie hadden geconstrueerd.

Met enige verbazing antwoordde de vriend: “Dus voor jou was Amsterdam-Zuid zoiets als Leidschendam of Winterswijk. Ik vermoed dat veel pubers in de Nederlandse provincie er juist naar verlangen om naar Amsterdam te verhuizen, jij wilde er weg.”

Ik wilde er weg. Maar als het iets anders was gelopen, dan was ik in het Winterswijk van de hoofdstad gebleven. Men denkt altijd weer dat men het eigen leven vormgeeft. Dat is maar zeer ten dele waar; wat men vooral vormgeeft zijn herinneringen, verontschuldigen en verklaringen achteraf.

Zelfquarantaine

Recentelijk bracht ik noodgedwongen twee weken door in het huis in Amsterdam-Zuid dat ooit van mijn moeder was geweest. Ik kwam uit Amerika en de regels luiden, althans voorlopig, dat wie uit Amerika komt twee weken in zelfquarantaine (een prachtig woord) dient te gaan. Die zelfquarantaine betekent voornamelijk dat je je eigen bewaker bent en ik geef het meteen toe, ik was een milde bewaker. Daar in dat huis, waar ik ongeveer tien jaar had gewoond, van 1982 tot en met 1992, bleven mijn gedachten rond de plaats delict cirkelen. Het verleden kwam tot leven, misschien door gebrek aan afleiding; het leek reëler dan het heden.

Iets had mij op de hielen gezeten 35 jaar geleden in de straten van Zuid, de Michelangelostraat, waar ik Hebreeuws leerde, het Dijsselhofplantsoen, dat ik dagelijks passeerde op weg naar school, de Churchilllaan, waar onze huisarts woonde met man, dochter en poezen. Nee, de dood was het niet, die heeft mij nooit op de hielen gezeten, het was de angst voor stilstand die mij achtervolgde, iets wat erger was dan de dood, een eeuwig wachten op leven, sterven met het vermoeden nooit geleefd te hebben. Vermoedelijk wacht men overal op het leven, mij kwam het voor dat er in Zuid lethargischer werd gewacht, met nog meer berusting dan elders. Tenslotte waren we in Zuid, beter dan dit zou het niet snel worden.

Gaten in het geheugen

Zeker, ik was eerder teruggekeerd naar mijn plaats delict nadat ik in 1995 naar New York was vertrokken, ik was zelfs regelmatig terug­gekeerd, voor werk, voor mijn petekind, voor mijn moeder – toen ze nog leefde – voor vriendinnen, maar dit voelde anders, al was het maar omdat ik sinds het begin van deze eeuw vrij consequent op doorreis was; waar ik ook heenging, ik kwam om weer te vertrekken, al pakte ik in New York wel mijn koffer uit. Door de omstandigheden was de doorreis in een dubieus licht komen te staan; waar thuisblijven zich ontpopt als een morele deugd, daar worden onrust en verlangen naar mobiliteit al snel een zonde, voor zover zij dat altijd niet al waren. Twee weken, dat klonk als twee jaar.

De psychoanalyticus Adam Phillips merkte op dat je altijd ook datgene bent waaraan je wenst te ontkomen, wat een andere manier is om te zeggen: je bent niet alleen dat wat je onthoudt, je bent ook dat wat je vergeten bent, misschien dat laatste nog veel meer. Wij zijn de gaten in ons geheugen, en vooral die gaten heb ik op­gevuld met verhalen.

Het verhaal gebruiken als stopverf is echter niet gespeend van risico’s. Zo merkt de cultureel antropoloog Ernest Becker in zijn boek The Denial of Death op dat mensen gevangen kunnen zitten in het verhaal dat ze over zichzelf en hun verleden hebben geconstrueerd. Het verleden, dat een kerker blijkt te zijn, is het trauma, maar misschien is het échte trauma – om dat wat mij betreft onaangename woord te gebruiken – wel het eigenhandig geconstrueerde verhaal over dat verleden. Voor zover het vertellen van verhalen over jezelf hetzelfde is als jezelf uitvinden, moet dus worden opgemerkt dat die uitvinding niet per se een bevrijding hoeft te zijn, de uitvinding blijkt dikwijls een nieuwe kooi, een mislukte uitvinding. Kon ik mijn uitvinding geslaagd noemen? Was er werkelijk sprake van een uitvinding? Iets in de ontsnappingspoging was halfslachtig gebleken, de halfslachtigheid die aan het fenomeen ‘doorreis’ kleeft. Elke stop is een tussenstop, het uiteindelijke reisdoel is altijd elders.

Het merendeel van de spullen (meubelen, paperassen, kleren, snuisterijen) van mijn ouders was nog aanwezig in het huis – het ver­leden is een alles overwoekerende klimplant, maar men kan het woekeren ook aanmoedigen door de plant water en mest te geven – aangevuld met wat nieuwe spullen, en allerlei voorwerpen die een vroegere vriendin had achter­gelaten. Men leeft tussen eigen en andermans restanten en het waren juist ook die restanten die me verleidden de betekenis van mijn plaats delict te heroverwegen. Niet met de drift van iemand die nog niet zeker weet of de vlucht zal gaan slagen, zoals ik dat had gedaan in mijn debuutroman Blauwe maandagen uit 1994, maar met de ontspannen weemoed van iemand die meent dat de vlucht ten dele gelukt is. Ik was aan iets ontkomen, maar waaraan en waarom?

Onschuldige leugentjes

Dwalend door de straten van Zuid moest ik vaststellen hoe weinig er veranderd was. De Haringvlietstraat, waar ik regelmatig speelde en waar dokter Israëls, een kinderarts, praktijk hield, was zo verlaten als in 1976. Dokter Israëls, voor wie ik doodsbang was, zo bang dat ik zijn vrouw, die tevens doktersassistente was, een paar keer heb uitgescholden voor ‘ouwe heks’. Je zou bijna denken dat in de Haringvlietstraat de lockdown light, zoals wij die nu kennen, al in de jaren zeventig was begonnen. Voor mij was de lockdown light de essentie van de hele Rivierenbuurt, waar ik de eerste elf jaar van mijn leven doorbracht, maar misschien moet ik het anders zeggen, misschien waren het mijn ouders die altijd al hadden geleefd alsof er een lockdown was.

Als ik mijn vader voor me zie, dan zie ik hem in een lange, zwarte leren jas met een plastic boodschappentas in de hand, lopend door de straat, hij is alleen, in de verste verte geen mens te bekennen. Lang voordat het virus naar Nederland kwam, liep mijn vader – hij stierf in 1991 – al door de straten van Amsterdam alsof hij op elke hoek besmet kon worden. Die leren jas heb ik overigens van hem overgenomen en de voormalige hoofdredacteur van de VPRO Gids, Boudewijn Paans, noemde die jas op een middag ‘een Gestapojas’. Ik heb me eigenlijk nooit afgevraagd waarom mijn vader een jas had laten maken die de Gestapo in films en misschien ook wel in het echt had gedragen. Wij trekken kleren en verhalen aan en laten ze nu en dan op maat maken.

De plaats delict bleek vooral een verzameling van angst en overwonnen angst: hier was ik bang geweest, daar was ik bang geweest. Angst leidt niet alleen tot agressie, maar ook tot leugens. Ik zou dus moeten zeggen: op die straathoek heb ik gelogen en op dat zebrapad heb ik gelogen, maar omdat het veelal onschuldige leugentjes waren, is het woord ‘jokken’ meer op zijn plaats. Als ik al in de literatuur gestreefd heb naar eerlijkheid – daar kan men zoals bekend de waarheid liegen – dan ook omdat ik besefte dat het liegen een alles overwoekerende ziekte was, vergeef me deze metafoor.

Amsterdam-Zuid was de plek waar meer nog dan elders, in mijn ervaring althans, angst en leugens regeerden. Dat zou gelezen kunnen worden als een aanklacht, maar zo bedoel ik het niet, integendeel. Zuid was slechts het decor, van de Diepenbrockstraat via het Beatrixpark tot de Beethovenstraat; een schitterend decor, nee, daarop valt echt niets aan te merken. En ook de bewoners verdienen mededogen, men laat woede en walging net als jeugdliefdes achter zich.

Ik werd geboren in Dintelstraat 10 hs, waar ik de eerste twee weken niets anders heb gedaan dan gapen, huilen en slapen, een lachje kon er niet vanaf, volgens mijn moeder een aanwijzing voor alles wat nog zou komen.

Een paar jaar later zou een zwemleraar in het Zuiderbad, waar ik – met de nodige tegenzin uiteraard – leerde zwemmen, tegen haar zeggen: “Aan die jongen zult u nog een harde noot te kraken hebben.” Mijn moeder herhaalde de anekdote met graagte, alsof ze wilde onderstrepen dat ze echt niet gek was, ook anderen hadden haar zoon doorzien, en de angst voor de zwemleraar, voor wie ik sowieso al behoorlijk bang was, nam door deze opmerking aanzienlijk toe. Ik was een harde noot in Amsterdam-Zuid en ik had gehoord wat ze met harde noten deden: kraken. Als ik iets niet wilde, was het gekraakt worden. Misschien is dat nog altijd het belangrijkste wat ik over mezelf kan zeggen: ik ben iemand die niet gekraakt wil worden.

Verstopt achter een boom

Ik vreesde geen dieren, hoewel ik muizen onaangenaam vond, en ook geen bliksem, ik was alleen bang voor mensen, maar dat dan ook met het vuur van de ware hartstocht. Omdat ik me toch tot al die mensen voor wie ik bang was, moest verhouden – de zwemleraar, de kinderarts, de kinderen op straat – ontdekte ik twee strategieën: jezelf onzichtbaar maken, gewoon in stilte aanwezig zijn, en het verzinnen van verhalen. Taal is een probaat middel tegen de angst; waar het verzinsel begint, is de angst althans gedeeltelijk overwonnen, want over het verzinsel kun je regeren, tenminste zolang het niet als verzinsel is ontmaskerd.

Dit waren de coördinaten van gecamoufleerde en slordig overwonnen mensenvrees: de Apollolaan, waar ik op de Amsterdamse Montessori School leerde wat er allemaal mogelijk was in de strijd tegen de angst: veel. Tegen mijn vader zei ik als hij mij ophaalde dat hij zich moest verstoppen achter een boom, zodat de andere kinderen hem niet hoefden te zien. Hij deed het braaf en misschien met een zeker genoegen; je verstoppen achter een boom, ook een manier om aan social distancing te doen.

De Karel Lotsylaan, waar ik op tennisclub Niet Winnen Toch Lol tennisles kreeg van Sari, en waar ik leerde dat tennissen niets voor mij was, maar waar ik tevens ontdekte dat er twee manieren waren om te tennissen: tennissen én doen alsof je tennist. Doen alsof was ruim voldoende. Een van de belangrijkste levenslessen.

Naar het reformhuis

Dan was er de Banstraat, waar meneer Müller deed alsof hij mij blokfluitles gaf en ik deed alsof ik blokfluit wilde leren spelen.

De Lekstraat, waar ik in de synagoge twee keer per week misjnales kreeg en waar ik een keer zag hoe een magere rabbijn de armen van een leerling openkrabde. Kijken, zwijgen en niets vergeten. Nog altijd een uitstekend devies.

De Gerard Doustraat, waar ik één keer per week naar de synagoge ging, en waar ik leerde wat de essentie van sociaal wenselijk gedrag was: het volbrengen van de rituelen. Ook geloven was nergens voor nodig; doen alsof, met behulp van het ritueel, was ruim voldoende. Tevens begreep ik daar dat religie en de dood nauw met elkaar verbonden waren. De syna­goge leek een plek voor hen die net niet waren gestorven, en daarom geen plek voor mij.

Het Europaplein, waar mijn moeder met grote gretigheid naar het reformhuis ging – lang voor het in de mode kwam, waren mijn ouders al geobsedeerd door reformhuizen en gezond eten – en waar een oudere dame achter de kassa verhandelingen hield over haar producten en de gevaren die ons bedreigden. Zelf zag ze er overigens bijzonder ongezond uit. In het reformhuis begreep ik dat gezond leven een vorm van langzaam doodgaan was.

Eveneens op het Europaplein was boekhandel Joachimsthal, waar ik één keer per week een kinderboek mocht uitzoeken – mijn ouders waren tegen televisie en hadden er daarom geen, maar ze waren niet tegen kinderboeken. Ik dwaalde door Joachimsthal zoals mijn vader door Amsterdam-Zuid, op gepaste afstand van andere mensen. Overigens, jaren later, toen ik op de middelbare school zat en tijdens het spijbelen naar een middagvoorstelling in Cinecenter ging, kwam ik mijn vader in de bioscoop tegen. We deden alsof we elkaar niet zagen. Hij had zijn plastic zak bij zich.

Tot slot het al genoemde Zuiderbad, waar ik mijn A- en B-diploma haalde en waar ik mezelf had leren kennen als een harde noot.

Op mijn elfde verhuisden mijn ouders naar het huis waar het verleden mij als een al te levend spook bezocht, in een zijstraat van de Beethovenstaat – mijn acht jaar oudere zus was inmiddels naar Israël vertrokken – en ik ging naar het Vossius, in de Messchaertstraat, waar ik leerde dat kijken, zwijgen en alles onthouden niet voldoende was voor een harde noot. Je moest ook gezien kunnen worden, de aandacht op jezelf weten te vestigen. Ik besloot clown te worden.

Geleidelijk aan namen de plekken van overwonnen en minder overwonnen mensenvrees toe, mijn Amsterdam-Zuid breidde zich uit. Ik ging weleens naar Wildschut op het Roelof Hartplein, ’t Lusthof in de Van Baerlestraat, een snackbar tegenover de RAI, ik werd verliefd – een paar jaar later zou ik daarover schrijven in mijn debuutroman – en ik begon met drinken en roken, met dat laatste hield ik snel weer op.

Het leven was elders, de dood was hier. Ik begon door de stad te dwalen, bracht uren door op het Centraal Station – de nachttrein naar Milaan reed nog – en wist één ding zeker: waar het echte leven was, kon de eigen onschuld niet zijn.

Jaren later zou ik met dat eerste vriendinnetje eten in Vis aan de Schelde, we hadden veel en ook weer weinig tegen elkaar te zeggen. Ze had inmiddels twee kinderen, we waren allebei betrekkelijk succesvol aan ons gemeenschappelijke verleden, de liefde, ontsnapt, de een met wat meer tegenzin dan de ander.

Pas in zelfquarantaine besefte ik dat mijn ouders eigenlijk een groot deel van hun leven in zelfquarantaine hadden doorgebracht. Blijf thuis! Niemand hoefde hun dat te zeggen, ze deden het uit zichzelf. We gingen niet naar cafés, restaurants, feesten, we bleven thuis met een boek van Joachimsthal. Ja, op zaterdagmiddag gingen we naar een geadopteerde oma in Buitenveldert, maar altijd schuchter en voorzichtig; het besmettingsgevaar was niet groot, het was immens.

Tijdmachine

Misschien dat deze milde of intelligente lockdown mij daarom zo vertrouwd voorkwam, ja bijna was het alsof ik uit een tijdmachine gestapt. Vermoedelijk ook daarom begonnen mijn ouders tijdens de zelfquarantaine steeds meer te verschijnen in dagdromen.

Als wij al ver weg van huis gingen, dan met de nodige voorzorgsmaatregelen. Nog net geen mondkapje, maar als we met de trein naar Zuid-Duitsland gingen, bewaarde mijn moeder in een roze bakje een stukje zeep en een nat washandje, waarmee om de haverklap mijn handen werden gereinigd. Van een wc in de trein mocht ik uiteraard geen gebruik maken, er was een oranje emmertje waarin ik in de coupé diende te plassen, en als we op de plaats van bestemming waren, begon mijn moeder als een bezetene met zelf meegebracht bleekwater alles te ontsmetten, je wist nooit of de hotelkamer wel echt goed was schoongemaakt.

Nu besef ik pas dat hoe curieus het was dat mijn moeder hotelkamers te lijf ging met een fles bleekwater.

Maar ook kan ik concluderen dat mijn ouders avant-garde waren, hun tijd gewoon vooruit. Niet Rutte, maar zij waren de uitvinders van de intelligente, weliswaar uiterst particuliere lockdown.

De vrees voor besmetting – mensenvrees is slechts een variant op de angst voor besmetting – was hun levenslange metgezel, hun trouwste kameraad.

Met terugwerkende kracht zijn mijn ouders normaal geworden, nu weet ik zeker dat ik me niet meer voor hen hoef te schamen.

De Amsterdamse Montessori School.Beeld Sjoukje Bierma
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden