PlusEssay

Arnon Grunberg: ‘Ik beken Jood te zijn, indien gevraagd’

Schrijver Arnon Grunberg is geen zionist en sinds zijn vijftiende niet meer religieus. In dit essay onderzoekt hij de Joodse identiteit. ‘Ik wil de geschiedenis van mijn ouders en mijn ouders zelf niet verloochenen.’

Beeld Rosa Snijders

Zelfinzicht komt veelal neer op de vraag: wie ben ik? Wat ook wil zeggen: waarin ben ik anders dan anderen? Als het om identiteit gaat, is daar aan de ene kant het verlangen geaccepteerd te worden, te voldoen aan de normen van de groep waartoe men wil behoren. Dat wil zeggen dat men binnen die groep streeft naar een zekere onzichtbaarheid, maar die onzichtbaarheid moet niet té onzichtbaar worden. Er is namelijk ook distinctiedrift, men wil herkend worden als een uniek wezen.

Beide verlangens gaan gepaard met sentimentalisme en over dat sentimentalisme scheef Abram de Swaan in 1964 behartenswaardige woorden. Iedere Jood die niet religieus is en ook geen zionist, dat wil zeggen bereid is binnen afzienbare tijd naar Israël te emigreren, en zich toch Jood noemt, is een sentimentalist, stelt De Swaan. Hij geeft toe dat er ook katholieke, protestantse en marxistische sentimentalisten zijn. Wat ze gemeen hebben is dit: ‘Allemaal mensen die maar geen afscheid nemen van iets wat ze hadden kunnen zijn als ze het hadden willen wezen.’

De meeste mensen zullen wel in meer of mindere mate een sentimentalist zijn en misschien moeten we daarom dat sentimentalisme, dat volgens De Swaan gepaard gaat met ‘onafwendbaar moreel verval’, definiëren.

Sentimentalisme is de diepe behoefte een verhouding aan te gaan met het eigen lijden of dat van andere mensen, op zo’n manier dat men zich het lijden van de ander eigenlijk toe-eigent, al dan niet onder het mom van empathie. Ons therapeutische jargon is veelal sentimentalisme in actie. Jezus was de grootste sentimen­talist aller tijden.

Een deugdzaam mens

Het sentimentalisme kent in de praktijk een esthetische component. Denk aan het romantische sjabloon van de dood van een mooi jong meisje: wij zien haar sterven in romans, gedichten en films, en treuren intens. Merk ook op dat in religieuze kunst het lijden van Jezus of van andere heiligen altijd zo wordt afgebeeld dat het ons genoegen doet, dat lijden bezorgt ons de sensatie van schoonheid en intensiteit.

We kunnen sentimentalisme zo definiëren: een betrekkelijk plezierige verhouding aangaan met het eigen lijden, of dat van anderen, waarbij men uit die verhouding ook nog eens de illusie peurt een deugdzaam mens te zijn.

Het essay van De Swaan riep gemengde gevoelens bij mij op. Ik zou mezelf noodgedwongen definiëren als Jood, dat wil zeggen: ik geef het toe als men erom vraagt. Maar ik heb nooit een sentimentalist willen zijn. En tóch leek ik in die categorie te vallen, aangezien ik geen zionist ben en zeker sinds mijn vijftiende niet meer religieus.

Ik ging terug naar een tekst van Jean Améry die ik las toen ik achttien was en die veel voor mij heeft betekend: De noodzaak en onmogelijkheid Jood te zijn. Améry was Oostenrijker, Jood, verzetsstrijder, intellectueel, overleefde Auschwitz en zou na de oorlog zelfmoord plegen.

Améry vertelt om te beginnen dat zijn moeder bij ongelukjes Jezus en Maria aanriep, zijn vader was ‘geen baardige Joodse wijze (...) maar een Tiroolse soldaat van de keizer in het uniform van de Eerste Wereldoorlog.’ Geassimileerder gaat nauwelijks. Améry was Jood, schrijft hij, ‘zoals een van mijn schoolkameraden de zoon was van een bankroete hotelhouder.’ In afzondering betekende dat bankroet niets voor hem, maar in bijzijn van zijn vrienden had hij ‘net als wij van schaamte wel in de grond willen zakken.’

Interessant, Joods-zijn is iets wat de Jood én zijn omgeving beschaamt. Let wel: dit is vóór de nazi’s.

Als Améry in 1935 over de Neurenbergse rassenwetten leest, beseft hij dat het iets meer is dan een vader die bankroet is gegaan. Hij schrijft dat hij het oordeel van de wereld aanneemt, maar er ook tegen revolteert.

En vanaf het moment dat de bedoelingen van de nazi’s tot hem doordringen, beseft hij dat Jood-zijn voor hem betekent ‘een dode met vakantie zijn’. Ook noteert hij dat je het Auschwitz-nummer op zijn arm sneller uit hebt dan de Talmoed ‘en toch is het bindender dan welke grondformule van het Jodendom ook’.

De nazi’s hebben hem tot Jood gemaakt en hoezeer hij zich ook verzet tegen deze opgelegde identiteit, er is geen weg terug voor hem.

Ik begrijp waarom dit mij aanspreekt. Maar ik begrijp ook dat De Swaan stelt dat de Holocaust niet de bron kan zijn waaruit identiteit wordt geschapen zonder dat die Holocaust trekken krijgt van een religie. Dat zou onwenselijk zijn, om niet te zeggen gevaarlijk. Terecht schrijft De Swaan dat de slachtoffers geen martelaren zijn. De Joden zijn niet vermoord om eigenschappen die ze hebben, hooguit om eigenschappen die hun zijn toegeschreven.

Dode met vakantie

Abel Herzberg (1893-1989) noemt het Jodendom ‘een beginsel in menselijke beschaving’, hij ziet het Jodendom als een ethische opdracht, als iets waar de heidenen, zoals hij dat noemt, niet mee kunnen leven.

George Steiner (1929-2020) denkt gedeeltelijk langs de lijnen van Herzberg, hij ziet in de reëel bestaande staat Israël de postume overwinning van Hitler. Het Jodendom als een ethisch beginsel, dat zag Steiner scherp, vergt in praktijk verregaande machteloosheid. Macht, althans te veel macht, staat haaks op beschaving, is er misschien vroeg of laat de vernietiger van. Steiner vraagt zich af wat de prijs is die betaald mag worden voor die beschaving. Die vraag lijkt mij de moeilijkste en gruwelijkste vraag.

Ook benadrukt Steiner dat, zelfs als je geen religieuze Jood bent en geen zionist en ze komen je halen omdat je Jood bent, het belangrijk is te weten dat ze zich niet vergist hebben. Op dat moment moet je zeggen, uit geschiedkundige en morele overwegingen: ja, ik hoor bij jullie.

Hineni. Hier ben ik.

In het dagelijks leven, waar niemand op mijn deur klopt om me te halen omdat ik Jood ben, maakt weinig mij zo onbehaaglijk als de goedbedoelde opmerking dat Joden zo intelligent zijn. Weinig bezorgt mij zoveel kippenvel als de vraag wat nu precies Joodse humor is.

En de hedendaagse Joden in West-Europa, Amerika of Israël zijn geen doden met vakantie meer. De gemiddelde inwoner van de Democratische Republiek Congo is eerder een dode met vakantie dan een Jood in Nederland. Natuurlijk zijn antisemitische incidenten onaangenaam en meer dan dat, maar ze kunnen niet worden vergeleken met een staatsapparaat dat alles in het werk stelt om een bevolkingsgroep, in dit geval de Joden, te vernietigen.

Ik beken Jood te zijn, indien gewenst, omdat ik toch wel als zodanig zal worden ontmaskerd. Ik beken Jood te zijn, indien gewenst, om de geschiedenis van mijn ouders en mijn ouders zelf niet te verloochenen.

Dat ik niet vatbaar ben voor de uitwassen van het sentimentalisme is te danken aan het feit dat mijn ouders Duitse Joden waren. Zij hadden een nog grotere hekel aan de Nederlandse Joden dan aan de Duitsers, wat als een vorm van identificatie met de agressor kan worden opgevat, maar wat dieper gaat, vrees ik. Zij voelden zich gekrenkt door de Nederlandse Joden. Van de Nederlanders hadden zij niets verwacht, van de Nederlandse Joden hadden zij wél anders verwacht en die afwijzing hebben zij een leven lang met zich meegedragen.

Daarnaast waren ze gewoon erg Duits. Alleen al het feit dat mijn vader mijn moeder dwong Heinrich Heine voor te dragen als er gasten waren, in het Duits, ook als die arme gasten helemaal geen Duits verstonden, geeft aan hoe Duits zij waren, hoe trots zij erop waren Duitser te zijn geweest. De keuze voor Heine was niet toevallig – zeer Duits, zeer Joods, een man die worstelde met assimilatie, die zich tot het christendom bekeerde om die bekering weer ongedaan te maken en die ondanks zijn Joodse afkomst en de kritiek op zijn werk toch een onomstreden positie heeft ingenomen in de Duitse literatuur.

Ongeloof in assimilatie

Mijn ouders konden geen Duitser blijven, het was hun onmogelijk terug te keren naar het land waaruit ze waren verdreven, maar ze waren het geweest en gek genoeg was dat genoeg voor hun trots. Mijn vader kon bijvoorbeeld zeggen, nadat er weer eens Heine was voorgedragen: “Die Nederlandse Joden weten niet eens wie Vestdijk is.”

Pas toen ik Cultuur als macht van de historicus Frits Boterman las, een boek over Duitsland, besefte ik hoe Duits mijn ouders waren in hun opvatting stiekem toch deel uit te maken van een cultuurgemeenschap, de Duitse, die ook zij verheven achtten boven andere culturen. Na de oorlog echter was volledig Duits-zijn een on­mogelijkheid geworden. Zo leefden ze nood­gedwongen op een stukje niemandsland in Amsterdam-Zuid, waar ze niet meer konden geloven in wat hun ouders en grootouders waren begonnen: assimilatie.

Misschien is dit ongeloof in de mogelijkheid van werkelijke assimilatie de kern van mijn Joodse identiteit.

Op mijn geboortekaartje stond – ik heb daarover eerder geschreven – alleen mijn eigen naam. De namen van mijn ouders en zus ontbraken. Het was alsof ik mezelf had gemaakt en mijn vader zei vaak: “Wees je eigen mens.”

Ik mocht van niemand zijn, en eigenlijk ook nergens bij horen. Mijn ouders hebben mij voorbereid op individualisme, maar ook op eenzaamheid, vermoedelijk omdat ze zelf gruwelijk eenzaam waren.

Mannelijkheid en nazisme

Uiteindelijk is men volledig teruggeworpen op zichzelf, de noodtoestand kan aan elke band een eind maken, ook die tussen broer en zus, moeder en zoon, wat blijft is vervangbaarheid.

Wie de vervangbaarheid al dan niet gedwongen omarmt, leert zijn eigen identiteit met een korreltje zout te nemen; als alles vluchtig is zijn identiteiten dat ook, eveneens die van jezelf. Identiteit is ook het etiket dat een ander op je plakt en dat je in gunstige gevallen weer kan verwijderen. Améry kon dat niet meer, ik kan het een beetje.

Vrij naar Groucho Marx: nu ben ik dit, maar ik kan ook iets anders zijn.

Voor mij is Joods zijn ook de vrijheid de rollen met verve te spelen die de omgeving van je vraagt. Een gespeelde en tijdelijke assimilatie, prêt-à-porter.

Ik koester een restant van de gettomentaliteit, ik koester dat Europese Jodendom waarbij mannelijkheid altijd gecastreerde mannelijkheid is, omdat de Joodse man zijn gezin niet kon beschermen en dikwijls in het bijzijn van zijn gezinsleden werd vernederd. Daaraan moet ik toevoegen dat ik ben opgevoed met het idee dat mannelijkheid, zoals wij dat in onze cultuur ervaren, en nazisme in elkaars verlengde liggen. Elke contactsport, van voetbal via handbal tot boksen uiteraard, was bij ons thuis volstrekt uit den boze. Fysieke arbeid werd daarnaast door mijn ouders als minderwaardig beschouwd, iets voor wat zij noemden ‘handwerklieden’. De man was een wezen dat over boeken gebogen zit.

Identiteit en sentimentalisme zullen elkaar altijd overlappen, en daar waar sentimentalisme en identiteit elkaar raken, dreigt het morele verval, het is goed dat De Swaan daarop heeft gewezen.

Een bewuste omgang met dat sentimentalisme echter kan voor een speelse houding zorgen ten opzichte van de eigen identiteit. Vandaag ben ik schrijver in Amsterdam en Jood op bestelling, morgen goochelaar te Caracas.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden