PlusInterviews

Afghaanse Amsterdammers: ‘Het is bijna onmogelijk iets voor mijn familie te doen’

Nilofar Feizi. Beeld Nina Schollaardt
Nilofar Feizi.Beeld Nina Schollaardt

Dat Kabul is ingenomen door de Taliban heeft grote mondiale gevolgen. Die nieuwe politieke situatie raakt ook sommige Amsterdammers direct. Afghaanse Amsterdammers over de gebeurtenissen in Afghanistan.

Nilofar Feizi (31), eigenaar van Mantoe in de Jordaan, het eerste Afghaanse restaurant in Nederland.

“Ik kijk geen nieuws, dat heeft te veel invloed op me. Die beelden van mensen die in een vliegtuig klimmen, dat raakt me op zoveel lagen. Het laat de pure wanhoop zien. Mijn ouders zijn gelukkig in Nederland, zij zitten aan de buis gekluisterd en bellen voortdurend met familie in Afghanistan. Dat zijn best wel veel gezinnen, van vaders- en moederskant.

Mijn ouders zijn in 1996 naar Nederland gekomen en dat was een goede stap. Vier maanden later vielen de Taliban binnen. Daarna zijn de meesten van mijn familieleden naar buurlanden gevlucht, maar een paar jaar geleden zijn ze teruggekeerd. En nu overkomt het hen nog een keer. Ze hebben zoveel geweld meegemaakt, fysiek en mentaal, dat ze terneergeslagen zijn. Ze hebben de puf niet dit een tweede keer in hun leven mee te maken.

Het is bijna onmogelijk iets voor mijn familie te doen. Alle grenzen zijn dicht, er zijn heftige controles. Bovendien zijn die families zo groot: welk familielid moet je als eerste proberen te redden? Wie moet je kiezen? Dat is een onmogelijke strijd.

De toekomst zie ik schimmig, heel grauw. Het belooft niet veel goeds, zeker niet voor meiden en vrouwen. Zij gaan 700 jaar terug in de tijd. De eerste persconferentie van de Taliban was niet heel hoopvol: er is geen reden voor paniek, vrouwen hoeven zich geen zorgen te maken, alles gaat volgens de wetten van de Sharia. Dan weet je wel hoe laat het is.

Mensen in Nederland vragen mij: wat kunnen we doen? Er rekening mee houden dat Afghanistan nu hot is, maar het echte werk komt daarna. Als weer iets anders wereldnieuws is, moeten we onthouden wat hier aan de hand is. Het gaat om humanisme. Er wordt een beroep op ons gedaan als mens.”

Ravi (Jumakhan Rafyie) heeft familie in Afghanistan. Beeld Nina Schollaardt
Ravi (Jumakhan Rafyie) heeft familie in Afghanistan.Beeld Nina Schollaardt

Jumakhan Rafyie (28), eigenaar van Daniel Tweewielers in Zuid.

“Ik vind het heel spannend wat er nu in Afghanistan gebeurt. Elke dag kijk ik op Facebook en naar de televisie. Mijn moeder en zus waren in Kabul toen de stad werd ingenomen door de Taliban en ze zitten daar nu ondergedoken. Ze zouden op 28 augustus naar Pakistan vliegen en daar een visum krijgen, maar dat wordt nu moeilijk. Ik spreek ze wekelijks. Ze zijn erg bang en ze kunnen niet eens zelf over straat om boodschappen te doen. De Taliban pakken namelijk iedereen op wiens familie is gevlucht naar het Westen.

Mijn vader en andere zus konden nog wel vluchten naar Pakistan, net voordat Kabul werd ingelijfd. Met hen gaat het nu op zich wel goed.

Ik ben in 2009 uit Afghanistan gevlucht, toen ik 17 jaar oud was. Ik kom uit Ghazni, honderdvijftig kilometer ten zuiden van Kabul. Daar zijn we gewend dat de Taliban vaak auto’s overvallen, maar niet dat ze in de steden komen. Ik ben gevlucht, omdat de Taliban de stad overnamen. Ik behoor tot het Hazaravolk, een religieuze minderheid die door de Taliban wordt vervolgd. Je kunt alleen overleven als je met ze meevecht.

Ik had nooit verwacht dat de Taliban Afghanistan zo snel zouden overnemen. De VS en de EU hadden moeten zorgen dat mensen veilig konden wegkomen. Nu komt er een grote burgeroorlog, denk ik. In de Panjshirprovincie staan rebellen klaar om te vechten tegen de Taliban.”

Milad en zijn moeder Amina. Beeld Nina Schollaardt
Milad en zijn moeder Amina.Beeld Nina Schollaardt

Milad (25) en zijn moeder Amina (54) (achternamen zijn bij de redactie bekend).

Amina: “Wij zijn in 1993 met ons gezin gevlucht voor de jihadstrijders van de Moedjahedien, maar hebben nog veel familie in Kabul. We zijn heel bang voor wat hun te wachten staat. Ze kunnen niet vluchten, omdat ze met zoveel zijn: 26 familieleden, van wie de meesten bij elkaar in huis wonen. Dan ga je niet weg zonder elkaar. Gelukkig hebben we wel iedere dag contact met ze.”

Milad: “We zijn vooral bang voor de meisjes. We hebben daar zeven nichtjes, tussen de 12 en 20 jaar oud. Mijn moeder heeft alleen maar broers, die redden zich wel, maar als vrouw ben je in de ogen van de Taliban niets waard. Meisjes van boven de 12 jaar worden al opgeroepen zich te melden, horen we van familie. In plekken buiten Kabul worden ze gedwongen te trouwen. Onze familie blijft daarom onder de radar. Ze gaan af en toe naar buiten om boodschappen te doen, maar daarna direct weer naar huis.”

Amina: “De Taliban proberen nu een goed beeld van zichzelf te creëren in Kabul, omdat daar wordt meegekeken door het Westen, maar daar is niets oprechts aan. Buiten Kabul worden vrouwen vermoord, doodgeslagen. Het is allemaal schijn. Ze willen vertrouwen winnen, maar zullen daarna in het exacte oude regime ­terugvallen.”

Milad: “Ik voel zoveel onmacht hier in Nieuw-West. Ik zou er bijna heen willen. We kunnen alleen maar afwachten. Thuis staat altijd de tv aan met Tolonews, de Afghaanse nieuwszender.”

Amina: “In het land waar ik ben opgegroeid, onder president Nadjiboellah, konden vrouwen rokjes dragen, kon je naar de bioscoop gaan, kon je uitgaan. Er was democratie. Dat Afghanistan krijgen we nooit meer terug.”

Najeeb. Beeld Nina Schollaardt
Najeeb.Beeld Nina Schollaardt

Najeeb (29), analist (achternaam bij de redactie bekend)

“In 2017 kwam ik voor het Erasmus-uitwisselingsprogramma in Amsterdam. Ik heb na dat programma een werkvisum aangevraagd en werk nu bij een Amsterdams bedrijf.

Ik volg het nieuws in Afghanistan non-stop. Mijn moeder, zus, oma en broer zitten in Kabul. Nu de Taliban de macht hebben, moeten ze daar echt weg. Vooral mijn moeder.

Doordat mijn vader werkzaam was als activistisch schrijver, die zich openlijk uitsprak tegen de Taliban, loopt mijn hele familie gevaar. Mijn vader verliet Afghanistan in 2019 voor een conferentie van het Internationaal Strafhof in Den Haag, maar hij kon niet terug, omdat hij bedreigd werd door de Taliban. Hij woont nu in Nederland en heeft een verblijfsvergunning.

Ik ben aan de lopende band aan het bellen en mailen met de IND, Vluchtelingenwerk en het ministerie van Buitenlandse Zaken om te regelen dat mijn zus, mijn broer en oma een uitreisvisum krijgen, maar ze kunnen me niet helpen. De IND wil eerst aan de hand van familiefoto’s en verklaringen zes tot twaalf maanden afwegen of ik een emotionele band met ze heb. Als dat zo is, dan gaan ze pas over tot vervolgstappen.

In juni liet de IND me weten dat mijn moeder een Nederlands visum kon aanvragen in Pakistan. Nu staat ze op de lijst om het land te verlaten, maar ze komt het vliegveld niet op, omdat het bewaakt wordt door de Taliban. Het is een totale chaos bij de hulptroepen. Er stijgen vliegtuigen op zonder passagiers en andere vliegtuigen mogen niet landen. Ik maak me grote zorgen.

De internationale gemeenschap begrijpt niet goed dat de Taliban niets zijn veranderd sinds 1996. Ze doen nu toezeggingen en doen alsof er met ze te onderhandelen valt, maar zodra ze zijn geaccepteerd, wordt het erger dan twintig jaar geleden.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden