PlusExclusief

Abram de Swaan: ‘Amsterdam is een wereldstadje’

Abram de Swaan was een strontvervelend kind met een gezagsprobleem. Toen zijn vader overleed, ging hij zijn best doen op school. Daarna liep hij meer dan vijftig jaar rond op de Universiteit van Amsterdam. ‘Het was een hogeschooltje, wel heel deftig.’

Robert Vuijsje
Abram de Swaan Beeld Erik Smits
Abram de SwaanBeeld Erik Smits

Sinds 2007, toen hij 65 werd, is Abram de Swaan emeritus universiteitshoogleraar in de sociale wetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. “Emeritus betekent dat je in ruste bent, gepensioneerd. Die titel wil je helemaal niet hebben. Maar universiteitsprofessor is erg eervol.”

Betekenen die titels verder iets?

“Titels en onderscheidingen zijn vooral belangrijk als je ze níét hebt. Als je ze eenmaal hebt, denk je: ach ja. Wij willen een egalitaire samenleving zijn, maar door die titels houden we een gedateerd systeem in stand. Dat schuurt. Het is bijna onmogelijk om mij een brief te schrijven. Beste Abram, dat kan. Of hoe ik ooit werd aangesproken door een student: hé, mag ik jou professor noemen? Hooggeleerde heer: dat is vrijwel onmogelijk geworden.”

Zittend aan een tafel in De Ysbreeker wijst hij naar links. Ruyschstraat 1, op de hoek met de Weesperzijde, daar was het ouderlijk huis. De Swaan noemt een citaat van de surrealistische schilder Melle Oldeboerrigter, die werkte onder de naam Melle. “In 1928 zei hij: de joden steken de Amstel over. Een knipoog naar de Bijbel. Voor het eerst werd er vanuit de Weesperstraat, de Jodenbuurt, verhuisd naar de overkant, naar de Beethovenstraat en de Rivierenbuurt.”

“De Weesperzijde was de eerste burgerlijke straat na de Jodenbuurt. Voor de mensen die het getto achter zich konden laten. Hierachter, in de Weesperstraat, was in mijn jeugd alles afgebroken. In de Hongerwinter waren de verlaten huizen van Joden leeggehaald om het hout eruit te slopen, zodat het kon worden opgestookt. Ook de Wibautstraat lag open. Ik speelde daar en dacht niet na over waarom het er zo bij lag.”

Abram de Swaan werd geboren in 1942. “Ik was acht maanden toen ik ging logeren in Beverwijk. Alleen, ja. Mijn ouders doken ergens anders onder. Laten we dit hoofdstuk maar overslaan, anders moet ik het oprecht vertellen en daar heb ik geen zin in.”

Na de oorlog keerde het hele gezin terug. “Een jaar later werd mijn zus geboren. Dat vond ik onnodig. Ik was er toch al? Ter compensatie kreeg ik een nieuwe autoped, met harde bandjes, dat had bijna niemand toen. Een redelijk bod, maar misschien had ik toch beter moeten onderhandelen.”

“Mijn vader bleef zichzelf koket een voddenjood noemen, ook toen hij een groot bedrijf had, in nieuwe en gebruikte juten zakken. Hij was erg vroom opgevoed en wilde absoluut niets meer te maken hebben met die religie.”

Is Amsterdam een Joodse stad?

“Dat was het, maar nu niet meer. Als je naar de minderheden kijkt, is het een stad geworden met heel wat zwarte en islamitische mensen – en nog wat Joden erbij.”

Nu wijst hij de andere kant op, naar het Namenmonument in de Weesperstraat. “Daar staan de namen van alle mensen die door de nazi’s voor Jood werden uitgemaakt. Voor de oorlog werden Joden hier door niets verenigd, er waren ook sterk antireligieuze stromingen. Bij die 102.000 namen zitten genoeg mensen die zich helemaal niet Joods voelden.”

“Mijn moeder was de dochter van een provinciale vrijdenker uit Coevorden, zij had ook helemaal niets met het geloof of het zionisme. Vrijdenker, dat vind ik een prettige term. De verdeling was zo: mijn vader kon zich erover opwinden en zette zich af tegen het jodendom, mijn moeder had er niets mee.”

Op het Montessori Lyceum deed zich één probleem voor. “Na de vakantie zat ik de eerste dagen vrolijk te vertellen over wat ik allemaal had meegemaakt. Tot er iemand doorheen begon te praten. Dat was dan de leraar. In gewone woorden: ik was een strontvervelend kind. Mijn lagere school was ook al montessori, ik had een gezagsprobleem.”

“Gelukkig bestond er op het Montessori Lyceum ruimte voor aparte leerlingen. Het was een nare tijd. In de derde klas overleed mijn vader. Daarna ging ik hard werken en werd ik op school heel erg goed. Ik merkte dat het me makkelijk af ging, als ik mijn best deed.”

Waarom wilde u wetenschapper worden?

“Ik kon niets anders.”

Niet iedereen kan het.

“Dit was wat ik kon.”

Waarom koos u voor de UvA?

“De VU lag niet erg voor de hand, dat was een gereformeerd bolwerk. Naar Leiden verhuizen, daar had ik ook geen affiniteit mee. Ik wilde politieke wetenschappen studeren, dat bestond nog maar net. En ik kende mensen die daar lesgaven. Lucas van der Land, de politicoloog, was een vriend van mijn vader.”

“Economie, rechten, sociologie, politicologie en geschiedenis: het was vijf vakken voor de prijs van één. Later heb ik ook de opleiding psychoanalyse gedaan. Die studies waren twee uitersten, de sociologie lag in het midden. Ik werd later hoogleraar sociologie, maar heb dat vak dus nooit gestudeerd. Tegen niemand zeggen.”

Is de UvA veranderd?

“Heel erg. Het was de gemeentelijke universiteit, daarbinnen had je de senaat, de hoogleraren, bijna allemaal mannen. Hoogleraar zijn, dat was een eervolle positie. Ze waren erg overtuigd van hun eigen gewicht. Die patriarchale machtsuitoefening is gebroken, overal in de organisatie zijn nu vrouwen.”

“Verder is de UvA gigantisch uitgedijd, overal in de stad zijn universiteitswijken gebouwd. Eerst was het een hogeschooltje, wel heel deftig. Nu is Amsterdam echt een universiteitsstad geworden. Het wonderlijke is dat het bevolkingsaantal niet explosief is gegroeid. Toen woonden hier ook al 700.000 mensen. In omvang is de stad wel groter geworden, hele wijken zijn erbij gebouwd. Alleen zitten er nu minder mensen in een woning.”

Hoe staat de UvA bekend in de wereld?

“Je hebt van die university rankings, ik weet niet of die kloppen. Van de duizend universiteiten op de wereld staat Amsterdam dan bij de bovenste vijftig. Het moet dus een goede universiteit zijn. Maar of die rangorde echt iets betekent? Ik vermoed dat zij denken: Nederland is een rijk land, het zal daar wel goed zijn.”

Hoe verschilt de UvA van de VU?

“Met de VU heb ik nooit iets te maken gehad, dat waren gescheiden werelden. Ik heb wel gezien dat zij veel eerder de deuren openden voor moslims. De ouders van die studenten hadden door dat het geloof daar serieus werd genomen. Dat op de VU niet in een minirok met een joint in de hand dansend naar college werd gegaan.”

“Zij hebben er echt werk van gemaakt om die studenten binnen te krijgen. Bij de UvA is dat toch niet goed gelukt. De emancipatie van vrouwen wel, en ik zie nu ook studenten met hoofddoekjes in de collegezalen zitten, maar nog steeds zijn er veel te weinig zwarte studenten. De aansluiting met Amsterdam-Zuidoost is nooit tot stand gekomen.”

U was gasthoogleraar in New York, Parijs en Boedapest. Hoe verhoudt Amsterdam zich tot die steden?

“Net als Boedapest is het een wereldstadje. Veel kleiner dan zo’n stad met vijf of tien miljoen inwoners. Wel kosmopolitisch, open naar de wereld. Net als in Parijs is onze binnenstad onbewoonbaar geworden door het massatoerisme.”

“Ik gun al die mensen hun reisjes, maar het commercialiseert en vulgariseert een stad. Wat op de Wallen gebeurt: dat kan niet. Een soort Artis van halfnaakte vrouwen die door mensenmassa’s worden aangegaapt terwijl ze daar in een bikini te kijk staan. Het is mensonterend, dat is het juiste woord. Je hoort daar ’s nachts schichtig in je eentje langs te lopen, niet met duizenden tegelijk.”

Was het emeritaat een grote verandering?

“Nee. Voordat het zover was, zat ik ook al meestal thuis wat te krabbelen. Ik bleef schrijven, alleen gaf ik veel minder college. Voor het schrijven is 65 een jonge leeftijd om met pensioen te gaan, je bent zeker tot je 75ste in staat om door te werken.”

“Ik stelde toen een tandemsysteem voor, waarbij een oudere hoogleraar een deel van het onderwijs overneemt van een jongere. Als dertiger en veertiger aan de universiteit moet je zorgen dat je publiceert, zo kom je hogerop. Het onderwijs draagt daar niet aan bij. In de tijd die vrijkwam, zou de jongere hoogleraar artikelen kunnen schrijven.”

Veel vakgenoten zijn overleden. Hoe is dat?

“Verdrietig. Ik ging altijd om met oudere vrienden. Die zijn nu allemaal dood. Het is wel een essentieel deel van het ouder worden.”

De stad van... Abram de Swaan

Echt Amsterdams
“Lange avondwandelingen door de binnenstad.”

Accent
“Ik denk dat het gewoon ABN is. Sommigen zeggen: lichtelijk bekakt.”

Partner
“Ze was niet een geboren, maar wel een getogen Amsterdamse.”

Huur of koop
“Koop. Daar had ik toen genoeg geld voor.”

Import
“Sommigen waren al Amsterdams voor ze hier kwamen wonen. Het is een mentaliteit die niet alle Amsterdammers hebben, maar bepaalde mensen van buiten wel: leven en laten leven.”

CV

Abram de Swaan (Amsterdam, 1942) werd in 1973 lector sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1977 werd hij hoogleraar en in 1997 universiteitshoogleraar. Hij was medeoprichter en codirecteur van de Amsterdamse School voor Sociaal-wetenschappelijk Onderzoek.

Serie

Amsterdammers klagen graag over de snel veranderende stad, maar willen hier toch blijven wonen. Hoe werkt dat, vraagt schrijver Robert Vuijsje (Alleen maar nette mensen, Salomons oordeel) zich af in een wekelijkse interviewserie met bekende en minder bekende Amsterdammers. Dit is aflevering 22. Lees hier alle afleveringen terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden