Hoofdcommissaris
19-10-09 10:38 uur
column
THEODOR HOLMAN
Wanneer je vroeger als verslaggever bij een Amsterdamse hoofdcommissaris van politie op bezoek mocht, dan hoorde je buiten, bij de ingang van het hoofdbureau, al het strijkkwintet van Mozart in g klein.
Vervolgens werd er opengedaan door een nerveuze adelborst die zich van de hoofdcommies beschikbaar moest stellen als deurmat, en als je klaar was met voeten vegen en de laatste restjes straatmodder door de adelborst van je sneakers waren weggelikt, werd je naar de witgehandschoende hoofdcommissaris gebracht die achter een Engels theeservies zat terwijl hij op z'n horloge keek en zei: ''Mag u op de redactie ook altijd negen seconden te laat komen?''
Vervolgens vertelde de commissaris als een Homerus hoe het ging tussen hem, Amsterdam en de officier van justitie - en als hij over de burgemeester sprak, veranderde Homerus in een verliefde zangvogel die uitputtend over de burgervader colaratuurde, zodat je wist dat er intern iets verschrikkelijk fout zat.
Bernard Welten heeft die chic niet. Hij is duidelijk uit de tijd dat de politieacademie een dependance leek van de sociale academie waar 'jezelf zijn' gedoceerd werd in plaats van 'het hanteren van de bullenpees', en 'huil maar eens lekker uit, joh' als goede strategie voor het vangen van boeven werd gezien.
Welten is woedend op Cohen, hij vindt de man een brekebeen en ook gevaarlijk voor de stad vanwege zijn slappetheehouding, maar in plaats van dit binnenskamers te houden en Cohen eens flink de oren te wassen, gaat Welten - die waarschijnlijk gelijk heeft - pruilen bij de pers.
Dat zie ik niet graag. Want eigenlijk snikt Welten nu: ''Jongens, ik kan het niet meer aan, lossen jullie het maar op.''
Maar daar hadden we juist de politie voor!
En ik denk nu ook: Amsterdam kan geen grotere puinhoop zijn, je mag van geluk spreken als de straat niet opensplijt omdat ze met een verkeerde boor in de verkeerde metrotunnel aan het boren zijn, en elke dag dank ik god dat de Nachtwacht nog niet in de blubber is gezakt en dat er nog wat resten van het Rijksmuseum in de stad staan - en dan slaan Welten en Cohen elkaar ook nog eens met de koekenpan op het hoofd.
De stad heeft griep.