*

Aanmelden
parool.nl
Vrij, Onverveerd

Recensie: Jonathan Littell - De welwillenden

13-11-08   10:00 uur

Het 962 pagina's dikke De welwillenden is de vertaling van Les bienveillantes, de in het Frans geschreven debuutroman van de Amerikaan Jonathan Littell. De roman van de toen 38-jarige Littell kwam in 2006 uit en zorgde meteen voor commotie. De welwillenden vertelt het verhaal, in de ik-vorm, van de SS-officier Maximilien Aue tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat perspectief, het perspectief van de dader, was men niet gewoon.

Filmer Claude Lanzmann - hij maakte de documentaire Shoah over de overlevenden van de Holocaust - was bang dat men de Holocaust alleen nog maar als beschreven in 'het daderboek' De welwillenden zou kennen.


Inmiddels zijn in Frankrijk meer dan één miljoen exemplaren van het boek verkocht en zijn de vertaalrechten in de hele wereld verkocht. Nu is er dus de Nederlandse vertaling.

Max Aue is, lang na de oorlog, directeur van een kantfabriek in Noord-Frankrijk. Hij besluit zijn memoires te schrijven, en begint zijn verhaal met: 'Mensenbroeders, laat me u vertellen hoe het is gegaan.' Wat volgt is een vanuit het diepste van zijn herinnering opgedregde verhandeling over zijn daden.

SS'er Aue, een afgestudeerd jurist die het tot Obersturmbannführer zal schoppen, schrijft voortreffelijke rapporten over de zuivering van veroverde gebieden in het Oosten. Hij is betrokken bij de liquidaties van Joden, politieke tegenstanders, saboteurs, communisten en zigeuners. Later moet hij onderzoeken hoe de Arbeitseinsatz in onder andere de concentratiekampen kan worden verbeterd. We volgen Aue door Polen, Oekraïne, de Kaukasus, Rusland - in Stalingrad wordt hij door een sluipschutter in zijn hoofd geschoten - en Hongarije, tot het moment dat de Russen Berlijn veroveren.

Aue schrijft in het eerste deel, dat we als proloog mogen lezen, dat hij geen berouw, geen wroeging heeft, dat niets te rechtvaardigen valt. 'Ik deed mijn werk, meer niet.' Hij voelt zich schuldig, zonder schuld te bekennen, want iedereen zou precies eender hebben gehandeld. Dat hij niet tot inkeer komt, is een sterke kant van de roman, die daardoor een al te literaire catharsis mist. Aue schrijft 'gewoon om de tijd te verdrijven, misschien ook om licht te werpen op enkele punten die mogelijk voor mezelf nog duister zijn'.

Aue ziet zichzelf als een objectieve waarnemer, een rapporteur van de plannen van Hitler. Hij is zo getrouw dat zijn eerlijke rapporten hem vanwege die eerlijkheid - die niet altijd een door de heren oorlogsvoerders gewild rooskleurig beeld geven - enigszins buitenspel zetten. Waardoor hij begint te twijfelen, zonder overigens de noodzaak van zijn werk uit het oog te verliezen. Want het ís noodzakelijk wat hij doet, maar helemaal zonder wroeging over het vermoorden van Joden is hij niet. Wat de kille uitvoerder Aue ook iets warms geeft, gevoel. Bij een lijkenkuil treft hij een meisje dat om haar moeder roept. Hij streelt het kind door haar haar, geeft haar dan aan een Waffen-SS'er en zegt: ''Wees aardig voor haar.'' Hij draait zich om als de soldaat met het meisje in zijn armen de kuil in stapt. Hij wil huilen.

Hier zien we de romancier Littell aan het werk, die gevaarlijk dicht langs kitsch en goedkope sentimentaliteit scheert. Hij doet dit gelukkig niet te vaak, maar laat op ontnuchterende wijze zien dat we ons in een roman bevinden. Hij bewerkt de lezer.


Soms zouden we namelijk vergeten dat Littell een roman schreef, zo duidelijk en gedetailleerd wil hij etaleren dat hij de geschiedenis kent. Hij deed vijf jaar onderzoek (schreef vervolgens de roman in zes maanden), en het zal moeilijk zijn hem op fouten te betrappen.

Die lange uitweidingen over taalgebruik in de Kaukasus, het Jodenvraagstuk, verschil van politieke inzichten tussen Duitsers en Russen en nog veel meer houden het verhaal vaak op, en illustreren de zwakte van de roman. Dat is, gek genoeg, de geloofwaardigheid. We twijfelen niet aan de historische feiten, maar hoe kan Aue zich dit alles herinneren? Hoe weet hij nog wat iemand meer dan zestig jaar geleden zei, compleet met citaten? Een bladzijden lang verhaal uit de mond van een ander over indogermaanse talen. Een tien bladzijden lang gesprek met een bolsjewist. Omdat deze passages in een intrigerend en meeslepend verhaal zijn opgenomen, valt het niet zo op, maar eigenlijk kan het niet, ook omdat Littell Aue zijn herinneringen pas zestig jaar na dato laat opschrijven.

De ik-vorm is daar debet aan. De welwillenden in de derde persoon had een even gruwelijke, maar betere roman opgeleverd. Zoals in Leven en lot van Vasili Grossman, een roman die veel parallellen vertoont met De welwillenden, bijvoorbeeld het gesprek tussen een SS'er en een bolsjewist door dat andere vertelperspectief geloofwaardiger is.

Ook als hij veel uitleggerige passages had geschrapt, zou Littell er meer de vaart in hebben gehouden, ook omdat hij in de persoon van Aue veel boeiender lagen in het verhaal aanbrengt. De persoonlijke geschiedenis van Aue is ook een duistere. Zijn vader is 'verdwenen', hij kan niet opschieten met zijn stiefvader, en hij is dodelijk verliefd op zijn tweelingzus. Een onmogelijke liefde, die zijn interesse in andere vrouwen vermoordt. 'Daarom is het beter dat ik haar word, en alle anderen mij.' Aue laat zich in het boek herhaaldelijk nemen, een kant die hij zorgvuldig geheim moet houden.

Waar Littell ophoudt feiten te spuwen, voert hij ons mee op een stroom van krankzinnigheid. De krankzinnigheid van de Endlösung, die volgens Littell het onderwerp van de roman is, en de krankzinnigheid van Aue, die met het verstrijken van de oorlog steeds gekker wordt.

Hij wordt geplaagd door dromen, hallucinaties, zijn verlangen naar zijn zus, en haat jegens zijn moeder en stiefvader. In die verhaallijn refereert de schrijver naar de Oresteiacyclus van Aeschylus, waarin broer en zus hun vader wreken door hun moeder en haar vriend te vermoorden, om daarna achtervolgd te worden door de wraakgodinnen. Die wraakgodinnen werden Erinyen genoemd, maar omdat het uitspreken van die naam de toorn van die godinnen zou oproepen, werden ze eufemistisch Eumeniden genoemd, welwillenden.


In de beschrijving van Aues denken en handelen, over zijn ontsporingen (hij bijt Hitler in zijn neus), is Littell een geweldige schrijver.

Anders dan je zou denken, heeft hij ook lichtheid, en zelfs humor in zijn boek gestopt, waardoor De welwillenden niet een inktzwart, hopeloos boek is geworden. Hij laat Aue middenin het oorlogsgeweld naar musea gaan, laat hem schaterlachen, klagen over de wijn. Littell deinst er zelfs niet voor terug slapstickelementen toe te voegen, over inwisselbare assistentes van Aues beschermheren, over onvindbare Oebichiërs, en over Clemens en Weber, twee politiemensen die Aue ervan verdenken zijn ouders te hebben vermoord. De scènes met Clemens en Weber in de laatste honderden bladzijden, zijn erg geestig, maar ook die doen een beroep op de geloofwaardigheid, en maken zelfs van het einde van de roman een klucht.

Littell heeft met De welwillenden een bijzondere roman geschreven die uiteindelijk over ons gaat. Over u en mij. Gewetenloos dringt Littell ons allerlei schuld- en gewetensvragen op, waarvan 'wat zou ik in deze situatie doen' de belangrijkste is. Niet voor niets laat Littell Aue het eerste deel besluiten met de opmerking: 'Ja toch, ik zeg u toch: ik ben net als u!' Dat is de waarheid die in deze roman verborgen zit. (MAARTEN MOLL)

Jonathan Littell - De welwillenden
Vertaald door Jeanne Holierhoek en Janneke van der Meulen,
De Arbeiderspers, €39,95 (tot en met 5 januari, daarna €45,00)



gerelateerde artikelen

Alles over

GESPONSORDE LINKS


PAROOL NIEUWSBRIEF

Elke middag gratis de hoogtepunten uit het nieuws in uw mailbox?

U kunt zich voor deze service van Het Parool opgeven via parool.nl/lunchnieuws.
De Persgroep Digital
© 2014 - Alle rechten voorbehouden