Een fatale zucht naar erkenning
05-06-08 15:11 uur
Pascal Mercier: De pianostemmer
Wereldbibliotheek, euro 22,50
Vertaling: Gerda Meijerink
'Wat een afgrond tussen wie hij had willen zijn en wie hij werkelijk is geweest!' Deze zin, uit zijn net vertaalde tweede roman, De pianostemmer (1998), is misschien wel de kortste aanduiding van de thematiek die Pascal Mercier van meet af aan tot brandpunt van zijn werk heeft gemaakt.
Nu zijn eerste drie romans in vertaling zijn verschenen, wordt duidelijk hoe in zijn boeken de accenten zijn verschoven. In Nachttrein naar Lissabon (2006) ging het om de zoektocht naar een autonoom en authentiek levensontwerp, geïnspireerd door de intrigerende vraag van een Portugese filosoof: 'Als het zo is dat wij slechts een klein deel kunnen leven van wat er in ons zit - wat gebeurt er dan met de rest?'
In Perlmanns zwijgen (1995), zijn vorig jaar vertaalde debuut, lag het accent nog op het andere uiterste van het spectrum: de verlammende angst voor de ander, de paranoïde angst van een vermaarde wetenschapper op een prestigieus symposium ontmaskerd te worden.
In zekere zin kun je De pianostemmer een scharnierboek noemen. In twee verhaallijnen gaat het hier opnieuw om het verlangen naar de goedkeuring van anderen, die zich uit in een obsessieve zucht naar erkenning, én om de zoektocht naar autonomie, in dit geval van een onlosmakelijk verbonden tweeling.
Wat de eerste drie romans van Mercier qua vorm verbindt, is het beproefde recept van een detectiveachtige plot, die als drager fungeert voor het verkennen van existentiële vraagstukken.
Aanvankelijk lijkt de belangrijkste inzet van De pianostemmer de poging van de tweelingbroer en -zus Patrice en Patricia zich als adolescenten te bevrijden uit hun hechte, incestueuze verbond, en een eigen, autonoom bestaan te ontwerpen. Om dat te bereiken hebben ze afgesproken elkaar te vertellen over hun leven, nadat ze op negentienjarige leeftijd het ouderlijk huis (en elkaar) zijn ontvlucht. Hun in schriften neergelegde ontboezemingen vormen de alternerende hoofdstukken van de roman.
Zes jaar na deze afspraak wordt hun voornemen doorkruist door het dramatische bericht dat hun vader is gearresteerd wegens de moord op een door hem verafgode operazanger. Dan verschuift hun aandacht, en de focus van de roman, naar de vraag hoe het zo ver heeft kunnen komen en begint de zoektocht van de kinderen, die het ouderlijk huis niet alleen ontvlucht zijn uit vrees voor de incestueuze wending in hun verbond, maar ook om te ontkomen aan 'de krankzinnige hunkering naar erkenning' van hun vader, die het gezinsleven ontwrichtte.
Dan krijgen we stukje bij beetje inzicht in de geschiedenis van die vader. Mercier schetst een boeiend en overtuigend portret van een weesjongen die zijn jeugd in een tehuis doorbrengt, door pleegouders op het spoor van de muziek wordt gezet, en na een succesvol bestaan als pianostemmer de ambitie opvat een groot operacomponist te worden.
Op zijn zestigste - na veertien opera's in dertig jaar - lijkt zijn droom eindelijk in vervulling te gaan als de opera waarin hij al zijn frustratie en wrok over het uitblijven van het gedroomde succes heeft verwerkt, zal worden uitgevoerd op een prestigieus festival.
Net als in Perlmanns zwijgen blinkt Mercier hier uit in de verbeelding van de martelende onzekerheid en de paranoïde gedachtespinsels in afwachting van de definitieve beslissing over de uitvoering. De onverwachte afgelasting leidt tot de dramatische apotheose van de roman, en laat de gelouterde componist achter met de vraag of het hem om de muziek ging of om de erkenning.
De pianostemmer is een razend knap gecomponeerde roman. Jammer dat Mercier zich geregeld verliest in uitweidingen die de voortgang van het verhaal onnodig stremmen. Dat is de keerzijde van zijn ambitieuze perfectionisme. (ALLE LANSU)