Zo geïsoleerd waren al die NSB'ers niet
26-04-10 15:31 uur
20 april 1941. De WA marcheert ter gelegenheid van de 52ste verjaardag van Adolf Hitler door de Willemsstraat. Foto stadsarchief
Hier woont een NSB'er heet het boek dat Josje Damsma en Erik Schumacher de komende week publiceren. Het gaat over de nationaalsocialisten in het bezette Amsterdam: wie waren zij, wat deden zij en waarom deden zij het?
De twee jonge historici komen aan het woord op de Dag van de Amsterdamse geschiedenis. Waar is nog niet helemaal duidelijk. Ze hadden een pandje op het oog aan de Amstel, waar destijds een door NSB'ers gefrequenteerd café in gevestigd was. Dat stond toch leeg. Ze hadden het half-serieuze plan dat op te tuigen met wat vlaggen en andere NSB-parafernalia.
Dat pandje bleek niet beschikbaar te zijn. Nu zijn er nog een paar cafés in de stad die destijds beruchte NSB-kroegen waren, maar of de huidige exploitanten het erg gezellig vinden hun zaak op te luisteren met NSB-driehoeken en portretten van Mussert, is de vraag.
In hun boek beschrijft het tweetal de activiteiten van de tienduizend Amsterdamse NSB'ers en de verhouding tussen de partijleiding en de gewone leden.
Ze stellen een paar min of meer gevestigde vooroordelen aan de orde. Dat NSB'ers vooral lid werden uit opportunisme. En dat ze zich door hun lidmaatschap geheel isoleerden van de rest van de bevolking.
Volgens hen wijst onderzoek - vooral op het archief waar de processen-verbaal worden bewaard van tal van van collaboratie verdachte mensen - uit dat het iets anders ligt. Natuurlijk was er dat opportunisme: baantjes kwamen vrij, onder meer doordat Joden werden weggevoerd, en de NSB'ers konden veelal gemakkelijker aan voedsel en dergelijke komen.
Maar bevlogenheid - idealisme noemen ze het, een term waar ik bij antisemieten toch enige moeite mee blijf houden - was er ook volop. Er werd gecolporteerd dat het een lieve lust was, vergaderingen puilden uit, en de gewelddadige afdeling van de NSB, de WA, zorgde voor en in de bezettingstijd voor heel wat opstootjes. In de periode 1935-1936 alleen al waren er in Amsterdam 103 opstootjes en dertig gevallen die worden omschreven als straatterreur.
Overigens wil dat weer niet zeggen dat deze figuren die het beste met de mensheid voor hadden, zich de voordeeltjes van het NSB-lidmaatschap om principiële redenen ontzegden. Zij profiteerden er even uitbundig van.
En dan dat isolement. Dat viel in zekere zin mee. Amsterdammers hadden een hekel aan NSB'ers als groep, blijkt uit tal van dagboeken en andere getuigenissen. Maar individuele NSB'ers werden, als ze zich een beetje netjes gedroegen, door buren, vrienden, collega's en familieleden nog wel geaccepteerd. Dat was tenminste de ervaring van politieagenten die na de oorlog onderzoek naar collaborateurs deden.
Het staat inderdaad in contrast met de verhalen. Over families die uit elkaar vielen, winkeliers die werden geboycot, kinderen van NSB'ers die in de oorlog gepest of genegeerd werden. Zouden dat alleen naoorlogse verhalen zijn? Na de oorlog werden kinderen van NSB'ers inderdaad gepest, dat staat vast. (PAUL ARNOLDUSSEN)
Josje Damsma en Erik Schumacher: Hier woont een NSB'er.
Uitgeverij Boom, €19,50.