Bij Paul Auster blijkt het tegenwoordig de vraag te zijn of hij het niveau van zijn vroegere werk weet te evenaren; voor velen was dat bij de laatste twee romans niet het geval. Ik was overigens wél te spreken over Op reis in het scriptorium (2006) en Man in het duister (2008), maar om kritischer mensen dan ik meteen maar gerust te stellen: zijn nieuwste, Onzichtbaar, heeft weer de structuur en de touch van romans als Maanpaleis (1989) en Leviathan (1992).

Die moeilijk te benoemen Paul Austeraanraking van Onzichtbaar wordt gevormd door een mengeling van vernuftigheid en warmbloedigheid, twee zaken die elkaar op het eerste gezicht lijken uit te sluiten, maar dat in de handen van Auster niet doen.

Bij Auster moet je als recensent doorgaans niet te veel over het verhaal zeggen, want hij is een auteur die je werkelijk kan verrassen, en dat effect wil je natuurlijk voor de lezer niet verpesten. Je valt bij Auster vaak van de ene verbazing in de andere; alles kan ineens heel anders blijken te zijn, en dat zonder dat het onwaarschijnlijk wordt. En daar zit ook iets pesterigs in. Auster weet je soms tot tranen toe te ontroeren - wat in Onzichtbaar op diverse momenten het geval is - terwijl in je achterhoofd voortdurend een stemmetje blijft klinken dat fluistert dat wat je nu leest, misschien helemaal niet waar is, of dat het, als iemand anders dit zou vertellen, heel anders in elkaar zit, of, nog weer anders, dat wat je leest, inderdaad 'slechts' een verhaal is, fictie, misschien niet iets om je wérkelijk druk over te maken.

En dat is één van de charmes van de vertellers van Auster: ze nemen de lezer over het werkelijkheidsniveau van wat ze vertellen, schijnbaar onomwonden in vertrouwen. Dat is wat moeilijk geformuleerd, en Adam Walker, de eerste verteller die in Onzichtbaar aan het woord komt, doet dat een stuk knapper.

In 1967, hij is dan twintig, komt hij in New York een Frans stel tegen, een man en een vrouw die ongeveer tien jaar ouder zijn dan hij. Walker meldt: 'De waarheid was dat ik nog nooit zulke mensen was tegengekomen, en omdat die twee me zo wezensvreemd waren, zo onbekend in hun affect, leken ze hoe langer ik met hen praatte steeds onwerkelijker te worden - alsof het denkbeeldige personages waren in een verhaal dat zich afspeelde in mijn hoofd.'
De twijfel is gezaaid, maar toch is wat Walker daarna vertelt, volkomen overtuigend; die tweespalt is precies wat Auster bij de lezer weet te bereiken. De gebeurtenissen die Walker beschrijft, zijn overigens behoorlijk gruwelijk; een en ander mondt zelfs uit in een moord, en je hebt erg met de arme Walker te doen.

Ik schreef moord, maar over de vraag of werkelijk van een moord sprake is, valt te twisten. In elk geval dwingt die kwestie Walker tot een belangrijke morele keuze, en dat is wederom bijzonder knap van Auster: al lezend vroeg ik me af wat ík had gedaan als ik in Walkers schoenen had gestaan; ik werd gedwongen over ethische kwesties na te denken. En prompt komt dan zo'n typische Austerwending; en die wil ik wel onthullen, want er volgen nog veel meer verrassingen. Wat is het geval? Dit. Het tweede deel van Onzichtbaar maakt duidelijk dat wat we zojuist hebben gelezen, een manuscript is. Ene Jim, een schrijver, heeft het manuscript toegestuurd gekregen in het voorjaar van 2007. Hij krijgt het van Walker zelf, een vriend uit zijn studententijd. Jim heeft Walker al 38 jaar niet gezien. In een begeleidend briefje verzekert Walker Jim dat wat hij hem toestuurt, geen fictie is - 'voor het geval je twijfelt' - én dat hij doodziek is, dus dat hij haast heeft om alles op te schrijven.

Vindt u dit klinken als helemaal Auster? Dan hebt u gelijk. Onzichtbaar is weer een zeer sterke. (ARIE STORM)

Paul Auster: Onzichtbaar
Vertaald door Ronald Vlek,
De Arbeiderspers, € 19,95.