János Székely - De arme Svoboda ****
12-08-09 09:44 uur
recensie
In 1943, midden in de oorlog, publiceerde de Hongaarse schrijver János Székely (1901-1958) een roman over de bezetting van zijn land in de vorm van een sprookjesachtige vertelling die op sommige momenten zelfs de vorm van een klucht aanneemt. Onderhuids voel je de bedwongen woede. Die betreft niet alleen de berekenende bezetter, maar vooral het opportunisme van zijn landgenoten. Uiteindelijk triomfeert het absurdisme.
De arme Svoboda speelt zich af in 1939 in een slaperig Tsjechisch provinciestadje dat wreed wordt opgeschrikt door de komst van een SA-eenheid. De vondst van explosieven onder de spoorbrug leidt tot een complottheorie over een mogelijke aanslag op Hitler tijdens diens geplande bezoek aan Praag. De wrange ironie is dat de Duitsers het dynamiet daar eigenhandig hebben geplaatst om een alibi te hebben voor een grootschalig huizenonderzoek annex plundering van de lokale bevolking.
De aanvankelijke protesten tegen de grove plundering smoren als duidelijk wordt dat er mogelijk represailles zullen volgen. Niemand is meer bereid een aanklacht te ondertekenen. De zaak eindigt met 'welgemeende excuses' van de bevolking. Székely maakt er een kluchtige scène van. Dan is de toon gezet.
Ook in het vervolg van de roman toont hij met vileine ironie het opportunisme van de burgers: iedereen heeft wel een goede reden om liever zijn eigen hachje te redden dan op de bres te staan voor een rechtvaardige zaak. De stationschef die het onweerlegbare bewijs bezit dat de Duitsers zelf verantwoordelijk zijn voor de explosieven langs de spoorbaan, besluit zijn mond te houden ('De arme man had al genoeg aan zijn eigen ellende.') De wetenschap dat hij met zijn kennis de eerste zondebok voor de vermeende aanslag het leven zou kunnen redden, verandert daar niets aan ('Op zo'n moment kon hij zijn baan toch moeilijk op het spel zetten?')
Na de dood van de aanvankelijke beschuldigde (die op zijn sterfbed nog een volledige bekentenis zou hebben afgelegd) wordt uiteindelijk de arme Svoboda tot diens handlanger gebombardeerd. Svoboda is een gemakkelijke prooi voor de autoriteiten. Hij was al 25 jaar de kruier van het stadje, hoewel er nauwelijks klandizie was ('Waarom? Omdat hij er nu eenmaal was.').
Székely portretteert hem zo dat je hem onmiddellijk voor je ziet: 'Hij was een grote, onhandige lomperik, ruim een meter tachtig lang en zo sterk als beer, maar zijn kleine, babyblauwe ogen keken de wereld in met een onschuld alsof hij nog niet eens de schoolgaande leeftijd had bereikt. Ze lagen diep in zijn verweerde gezicht, alsof twee musjes hadden besloten om in een sombere, weinig uitnodigende rotswand hun nest te bouwen.'
In psychologische zin portretteert de schrijver hem als een gelukkige onnozelaar, die het misbruik dat de anderen van hem maken, als een natuurlijk gegeven heeft leren aanvaarden: 'Zo was het leven.' 'Daar moest je maar aan wennen. Het viel niet mee om een arme drommel te zijn.' Met die indolentie die een tweede natuur is geworden, laat Svoboda zich afvoeren naar een concentratiekamp ('Het gezag zette arme drommels nu eenmaal van tijd tot tijd op transport.')
Naar het eind van de roman geeft Székely zijn ironische toonzetting steeds meer de vrije teugel en neemt het verhaal een absurdistische vlucht. Dan beschrijft hij hoe Svoboda na twee maanden in het kamp naar huis wordt gestuurd: 'Hij had de commandanten gesmeekt of hij nog wat langer kon blijven, maar ze zeiden dat het slecht uitkwam omdat ze ruimte tekortkwamen. Misschien een andere keer.'
Als hij achteraf alsnog de rekening gepresenteerd krijgt voor de kost en inwoning in het kamp (zijn spaargeld wordt geconfisqueerd), dient Svoboda, tot hilariteit van de omstanders, een klacht in tegen Hitler. Aan het eind van dit sprookje blijkt de indolente dwaas Svoboda zo ongeveer de enige die zijn stem durft te verheffen. (ALLE LANSU)
János Székely - De arme Svoboda
Vertaald door Otto Biersma en Paul Bruijn,
Anthos, €19,95