J. J. Voskuil - Binnen de huid
08-04-09 07:33 uur
recensie
'Je moet alleen schrijven als je een probleem hebt,' luidde de stelregel van J.J. Voskuil (1926-2008). Zo ontstonden zijn grote romanwerken Bij nader inzien en Het Bureau, met in de hoofdrol zijn alter ego Maarten Koning. Het waren onversneden autobiografische romans die voortkwamen uit ontgoocheling over diep gekoesterde illusies.
In Bij nader inzien verwerkte hij de desillusie dat de hechte vriendengroep uit zijn studententijd (1946-1954) niet voor de eeuwigheid bestemd bleek. Het Bureau ontstond uit een soortgelijke deceptie. Na dertig jaar dienstverband (1957-1987) bij het Meertens Instituut hoopte Voskuil dat hij ook na zijn pensioen bij 'de club' zou blijven horen. Toen dat niet het geval bleek te zijn, reconstrueerde hij nauwgezet, in zeven kloeke delen, zijn jaren bij het 'Bureau' om zo met die periode in het reine te komen.
In hun studentenjaren deelden Voskuil en zijn vrienden hooggestemde idealen over de inrichting van hun levens, waarin trouw aan jezelf belangrijker werd gevonden dan carrière en maatschappelijk aanzien. Bij nader inzien laat zien hoe die idealen al snel verdampten toen men op de drempel van het echte leven kwam te staan.
Met zijn keuze voor het Meertens Instituut meende Voskuil wél zo trouw mogelijk te kunnen blijven aan het gekoesterde ideaal. Uit de aard van het onderzoeksterrein (volkskunde, een soft soort sociologie) was het een pretentieloos instituut in de luwte. Als deelname aan het maatschappelijk leven dan onvermijdelijk was (er moest tenslotte brood op de plank), dan toch op een plek waar je zo min mogelijk vuile handen zou hoeven maken. In Het Bureau bleek dat overigens maar ten dele waar te zijn.
De hier geschetste ontwikkeling in leven en werk van Voskuil maakte razend nieuwsgierig naar Binnen de huid, de roman die zich afspeelt tussen het eind van zijn studietijd en zijn entree bij het 'Bureau'.
Voskuil schreef de roman in de periode 1964-1968, maar heeft het boek bij leven nooit willen of kunnen publiceren, omdat hij het te persoonlijk en te intiem achtte. Bij zijn dood liet hij de beslissing over een eventuele publicatie aan zijn vrouw Lousje. Die schrijft in een 'Woord vooraf': 'Ik heb besloten, na lang nadenken, dat dit ongewoon oprechte, moedige boek niet ongepubliceerd mag blijven. Het was een moeilijke beslissing.'
Na lezing van Binnen de huid kan ik me dat laatste levendig voorstellen. Het intieme karakter en het delicate onderwerp zal voor menig Voskuilliefhebber een kolossale en misschien wel onthutsende verrassing zijn.
Mijn eigen nieuwsgierigheid naar het boek was gebaseerd op de verwachting dat Voskuil in deze in de ik-vorm geschreven roman verslag zou doen van de crisis die hij doormaakte toen hij vanuit de vrijblijvendheid van de voorportalen op de drempel van de echte wereld en het echte leven stond. Wat moest hij, Maarten Koning, die zichzelf volstrekt ongeschikt achtte voor welke maatschappelijke rol dan ook, in vredesnaam aanvangen om in de wereld te (over)leven? Ik hoopte te lezen over zijn worsteling met de vraag hoe je als geboren buitenstaander je leven in moet richten, en hoe je je tot de wereld moet verhouden.
Aanvankelijk (in de eerste honderd bladzijden) lijkt dat ook inderdaad de inzet van de roman te zijn. Bij het afstuderen van Maarten is de oude vriendenclub inmiddels uitgedund, en beperkt tot Henriette Fagel (gemodelleerd naar Frida Vogels), die in Parijs als vertaalster werkt en af en toe in Amsterdam logeert, en Paul Dehoes (J.J. Oversteegen) en zijn vrouw Rosalie. Paul is leraar geworden in de provincie, en het eerste kind is op komst.
Als Maarten en Nicolien het echtpaar voor het eerst bezoeken in hun nieuwe huis, beseft Maarten met een mengeling van irritatie en leedvermaak hoe Paul zijn vroegere droom ('een zolderkamer in Parijs, in armoede leven, verzet') heeft ingeruild voor een burgermansbestaan. Wat hem irriteert is niet zozeer dát Paul die keuze gemaakt heeft, maar dat hij niet wil toegeven dat hij gecapituleerd is voor het verlangen naar zekerheid en daar ook nog vrede mee lijkt te hebben.
Tegelijkertijd geeft het Maarten een gevoel van triomf dat hij zelf voorlopig nog niet gezwicht is om een dergelijk compromis te sluiten. Hij verdient wat geld met vertaalwerk dat Henriette hem heeft toegeschoven en leeft met Nicolien een leven alsof ze nog studenten zijn. Maar Maarten voelt al wel aan dat de 'weerzin' die hij ervaart bij het benauwende bestaan van Paul en Rosalie een gevoel is dat hij 'zich niet lang meer zou kunnen veroorloven'. Ook hij zal er, vreest hij, aan moeten geloven: 'Ik begon te vermoeden dat verraad de enige manier is om in leven te blijven en dat alles wat ik deed uitstel was van executie.'
In dat eerste kwart van de roman stelt Voskuil zich interessante vragen over zijn eigen houding en positie tegenover de maatschappij: is die trouw aan oude idealen, dat verzet tegen maatschappelijkheid, eigenlijk niet gewoon een vorm van angst en onmacht? En: bezit hij wel de moed die nodig is 'om voor eigen rekening te leven?'
Maar dan neemt de roman een wending die Voskuilliefhebbers zal verrassen: dan komen alle vragen over vrijheid en onafhankelijkheid volledig in het licht te staan van een ander compromis: het huwelijk. Een zoen van Maarten aan Rosalie aan het eind van een drankrijke avond is het begin van een ware erotomane obsessie. Ja, u leest het goed: Voskuil heeft met Binnen de huid een overspelroman geschreven, en ook nog eens een tamelijk vrijmoedige, al moet men dan natuurlijk niet meteen aan expliciete seksscènes denken.
De zoektocht van Maarten naar een vorm van vrijheid en authenticiteit ontwikkelt zich in de rest van de roman tot een worsteling tussen ratio en gevoel op het terrein van erotische verlangens. Het is een wanhopige poging om zichzelf te bevrijden van het juk van de heersende moraal en zijn eigen geremde natuur, volgens het devies: 'Luisteren naar je instinct, zonder je van iemand iets aan te trekken' en 'zonder aan de consequenties te denken.' Hij redeneert zich een slag in de rondte om zichzelf te rechtvaardigen: hij is geen bedrieger, 'het bedrog zetelde in de monogamie'. Trouw is enkel lafheid, want gebaseerd op de angst om alleen te komen staan. Hij zal wel eens bewijzen dat hij niet laf is, dat hij een vent uit één stuk is, desnoods 'een schoft'.
Ondertussen onderwerpt hij zijn escapades aan een minutieus onderzoek naar 'de verwarrende chaos van tegenstrijdige gedachten en motieven die daaronder lagen'. In dat zelfonderzoek ontmaskert hij genadeloos zijn eigen schijnheiligheid en leugenachtigheid, om menigmaal in diepe zelfverachting achter te blijven. Ook vraagt hij zich af 'of deze verliefdheid misschien alleen een symptoom van onvrede was. Was ik voor mijn leven op de vlucht? Was het angst om me vast te leggen?'
De uitgesponnen verwikkelingen waar uiteindelijk niet veel ontwikkeling in zit, maken de roman tot een op den duur vermoeiende overspelsoap. Gelukkig zijn er geregeld de meesterlijke ruzies tussen Maarten en Nicolien.
Op de bodem van dit verhaal ligt een immens gevoel van eenzaamheid. Een paar bladzijden voor het einde schrijft Voskuil: 'Ik raakte er meer en meer van overtuigd dat alleen zijn de enige fatsoenlijke manier van leven is. Alleen zijn en je bedrinken.' (ALLE LANSU)
J. J. Voskuil - Binnen de huid
Van Oorschot; 25 euro