Meeslepende groteske gekkigheid
26-03-10 11:06 uur
recensie
'Wij weten dat u er niets aan gaat vinden, maar wij móeten dit brengen. Want dít is onze cultuur.'' Het publiek is gewaarschuwd; de theatergroepen die tussen de Mondriaans zijn neergestreken in het Gemeentemuseum zijn er niet om te behagen.
De vijfde voorstelling van De Warme Winkel in hun serie over Oostenrijkse kunstenaars mist de persoonlijke visie van de eerdere delen, maar gaat in theatrale uitzinnigheid heerlijk overboord. Oskar Kokoschka was enfant terrible van beroep en in het Wenen van voor de Eerste Wereldoorlog joeg hij de burgerij schrik aan met zijn expressionistische portretten en theatervoorstellingen. Hij was betrokken bij de Münchener kunstenaarsgroep Der Blaue Reiter rondom Kandinsky en dat vormt de verbinding tussen de voorstelling en het museum, waar een tentoonstelling rondom die beweging te zien is.
In tegenstelling tot de eerdere voorstellingen, waarin de acteurs commentaar op het onderwerp en hun zoektocht gaven, kiest De Warme Winkel nu niet voor uitleg, maar voor inzet. We zien een aaneenrijging van scènes ontleend aan Kokoschka's werk: naakte mannen die teksten voordragen, tableaus over zijn oorlogsverwondingen en over zijn angst voor vrouwen, sketches over zijn heftige affaire met Alma Mahler, allemaal met brille ontleend aan zijn visuele stijl, met verwrongen mimiek en lichaamshoudingen en een soundtrack van de muzikanten van de Veenfabriek die nu eens lawaaiig in de weer zijn met bekkens en sirenes en dan weer verrassend melancholieke muziek maken met klokkenspel en cimbalom.
De meeste scènes spelen op een verhoogd toneeltje met een goedkoop voordoek en bordkartonnen bomen, maar tussendoor rennen de spelers rond of hebben ze babbelende onderonsjes met een deel van het publiek. Of ze gaan ineens tussen het publiek staan om 'boe!' te roepen tegen hun eigen voorstelling, en rennen dan weer naar het toneel om 'fuck you!' terug te schreeuwen.
Een logische ordening is nauwelijks te ontdekken. Het is groteske gekkigheid die meeslepend werkt vanwege de manische energie waarmee ze het uitvoeren en de virtuositeit van hun grappen.
Toch zit er ook iets storends in de vette ironie waarmee ze het onderwerp te lijf gaan. De scènes zijn geestig, inventief en absurd, maar nooit aangrijpend, tergend of teder. Wat trok de makers toch zo aan in die rare Kokoschka? We komen het niet te weten. Zo ga je na zo'n volle avond toch een beetje leeg naar huis. (SIMON VAN DENB BERG)