*

parool.nl
Amsterdam,  
Parool.nl mobiel Word vriend van Het Parool op Facebook

Wereld: Onder de Groene Linde *****

10-12-08   09:36 uur
recensie
Goeiemorgen mijn kind, goeiemorgen mijn kind, / En waar heb je van de nacht geslapen?' / 'En ik ben van de nacht bij de ruiter geweest / En daar heb ik geslapen' / 'Ben jij van de nacht bij de ruiter geweest? / En dan moet jij ook wel kramen'

Zo wisselen moeder en dochter een paar feiten uit in de oude ballade En de ruiter metter zijn blanke zwaard. Het verhaal is dieptreurig: een eenvoudig meisje spendeert de nacht met een ruiter van hoge komaf. Bij het ochtendgloren biedt hij haar honderd daalders, maar zij wil 'het heertje zelve'.

Die kan zij natuurlijk niet krijgen. Gebroken gaat zij naar haar moeder en negen maanden later sterft ze in het kraambed. De ruiter passeert de begrafenisstoet en herkent in de kist zijn liefje. Hij trekt zijn degen en steekt die in zijn hart. 'Fiederommie dommiedom fiederalala, en daar lagen ze allebeide.'

Over onze Nederlandstalige volksliedkunst bestaan hardnekkige misvattingen. Het zou alleen maar over koetjes en kalfjes gaan, de melodieën zouden niet de moeite waard zijn, en eigenlijk: bestáát er überhaupt wel zoiets als een typisch Nederlandse volksliedkunst?

Waag het niet om die vraag zo bot te stellen aan Ate Doornbosch (1926), grootverzamelaar van mondeling overgeleverde Nederlandse volksliederen. Tussen 1957 en 1993 verzorgde hij het radioprogramma Onder de Groene Linde waarin hij telkens onbekende, met vergetelheid bedreigde volksballaden wist op te dissen. Velen zullen zich nog dat wekelijkse halfuurtje kunnen herinneren, waarbij vooral dames op leeftijd, luisterend naar namen als Trijntje Steur-Tuip uit Volendam of Bontje Dalman-Douma uit Groningen, ellenlange balladen zongen, vaak met het stroeve getik van een Friese staartklok als achtergrondgeluid.

Radioluisteraars die zich niet lieten afschrikken door eindeloze coupletreeksen, met weinig toonvaste bibberstemmen in dialect gezongen, werden beloond met prachtig tekstmateriaal waarin een wereld van lang vervlogen tijden opdoemde. Na vrijwel elke uitzending ontving Doornbosch post vanuit de verste uithoeken van het land, waarin luisteraars reageerden met aanvullingen op en eigen varianten van de uitgezonden liederen.

Doornbosch registreerde de liederen bij mensen thuis, meestal op het platteland, waar het snelle stadse leven, de radio en tv nog niet hun cultuurverwoestende werk had gedaan. Hier trof hij -meestal bejaarde- mensen die zich nog liederen herinnerden die zij rond 1900 hadden gezongen tijdens het aardappelsrooien, turfsteken, spinnen of garnalen pellen. Veel balladen kenden ze ook van de ontspannende 'schemeruurtjes', die soms letterlijk onder de groene linde plaatsvonden. Hartverscheurende verhalen werden dan gezongen: over liefde, moord, (on)trouw, zeemansleed en de dubbele seksuele moraal van de 'hoge heren'. Gaandeweg ontdekte Doornbosch dat sommige liederen al uit de middeleeuwen stamden.

Meisje in barensnood
Neem het lied van het versmade meisje dat sterft in barensnood: dit heeft verschillende versies, sterk gelijkend op een lied dat opgetekend staat in het Antwerps liedboek (1544) onder de titel Een ridder ende een meysken jonck.
Prachtig is de titel en de tekst van een andere variant, Ik heb gespeeld al met meneer de graaf. Hier begroet de moeder haar dochter met de regels: 'Goeiemorgen lief kind, wat hangen uw rokken scheef/ Van voren kort, van acht'ren langer.' Waarop dan volgt: 'Zwijg stil, zwijg stil', zo sprak het lieve kind/ 'Opdat geen and'ren ons wat vragen/ Want zodra mijn kind maar op de wereld is,/ Zult gij mij naar het kerkhof dragen.'

Afgelopen weekeinde mocht Ate Doornbosch het eerste exemplaar ontvangen van een indrukwekkend boekwerk met negen cd's en een dvd met een zorgvuldig gedocumenteerde selectie van zijn enorme liedverzameling. Deze prachtige collectie is natuurlijk in de allereerste plaats te danken aan Doornbosch zelf, die niet alleen liefst 1316 uitzendingen verzorgde, maar ook met engelengeduld de liederen transcribeerde en documenteerde op het Amsterdamse Meertens Instituut. Een gedateerde documentaire op de dvd toont een jonge Han Voskuil die hierover zijn diepe waardering voor zijn collega van Het bureau uitspreekt.

Verder is het werk voor deze schitterende mammoetuitgave te danken aan Louis Peter Grijp, bijzonder hoogleraar aan de universiteit van Utrecht op het gebied van Nederlandse liedcultuur. Samen met een werkgroep musicologiestudenten kwam hij, wikkend en wegend, tot een selectie van 163 veldopnamen. De liederen zijn geordend volgens de 'balladentypenindex', met categorieën als 'magische gebeurtenissen', 'verleiding, list en bedrog', 'ongelijke liefde', 'familieleed' en 'misdaad'.

Over kommer en kwel is het nu eenmaal fijn zingen. Maar er is nog iets: uit de biografische beschrijvingen van de zangers en zangeressen blijkt vaak dat deze liederen het geestelijk eigendom waren van de maatschappelijk onderlaag. In zijn voorwoord stelt Louis Grijp dat de liederen vaak het mooiste waren wat de zangers bezaten. De bezongen thematiek zal hier en daar vast ook uit het leven gegrepen zijn. (SASKIA TÖRNQVIST)
(Meertens Instituut, Music & Words Boek, 9 cd's, 1 dvd)


Alles over

GESPONSORDE LINKS



PAROOL LUNCHNIEUWS

Elke middag gratis de hoogtepunten uit het nieuws in uw mailbox?

U kunt zich voor deze service van Het Parool opgeven via parool.nl/lunchnieuws.
acap enabled   © Het Parool