Regie: Tony Gatlif Met: Marc Lavoine, Marie-Josée Cruze
'De zigeuners zijn er weer,'' roepen kinderen in een Frans dorp in 1943. Korte tijd later zijn ze er niet meer: afgevoerd naar een concentratiekamp. Liberté toont hun deporatie.
De Algerijns-Franse filmmaker Tony Gatlif, kind van een zigeunerin, maakt al bijna dertig jaar films over zigeuners. De prachtige documentaire Latcho drom, over de mondiale traditie van zigeunermuziek, is een uitzondering in zijn werk, dat vooral uit speelfilms (Gadjo dilo, Transylvania) bestaat met clichés van vioolspelende zigeuners rond een kampvuur die zich vol in het leven storten, en een vijandige droogstoppelige buitenwereld die de vrijheidslievende zigeuners het leven zuur maakt.
Liberté is naar Gatlifs mening zijn urgentste film, omdat het woord zigeuner dezer dagen in Frankrijk weer in één adem wordt genoemd met deporatie.
In het dorp waar de zigeunerfamilie uit Liberté elk jaar seizoensarbeid verricht, waait ineens een andere wind. Rondtrekken is wettelijk verboden en de familie mag niet meer spelen op feestavondjes in het dorpslokaal. De dorpelingen houden nu van walsen, zegt een invloedrijke dorpeling.
Hij noemt de zigeuners gespuis waar Frankrijk van bevrijd moet worden. Hun grootste fout is dat zij denken dat de bui wel overdrijft. Zij rekenen op de steun van een lerares (Marie-Josée Cruze) en de burgemeester van het dorpje (Marc Lavoine), die het voor hen opnemen. Maar als deze door de Duitsers zijn opgepakt, staat hun lot vast.
Discriminatie en uitsluiting waren ze gewend, maar tegen systematische vervolging stonden zigeuners machteloos. Dat de Franse politie hen deporteert, rakelt net als het recente La rafle over de grote Parijse Jodenrazzia in 1942, het onderwerp collaboratie op, maar Gatlif laat met de burgemeester en de lerares ook zien dat er Fransen waren die in de strijd tegen de Duitsers hun leven riskeerden. De kracht van Liberté zit in dit genuanceerde beeld.
Minder interessant is het folkloristisch-kluchtige beeld van zigeuners als grote kinderen die himmelhoch jauchzend zu Tode betrübt zijn. En die daar altijd muziek bij spelen. (JOS VAN DER BURG)