De butler van Ajax streeft perfectie na
15-09-98 16:06 uur
Sjakie Wolfs neemt afscheid van trainer Morten Olsen in december 1998. Foto ANP/Marcel Antonisse
Sjakie Wolfs is al bijna dertig jaar de materiaalman van Ajax. Ook Wolfs streeft naar perfectie; het circulatievoetbal van Ajax begint bij hem. 'Voetbal is schoenen, bal en veld.'
'WE MAKEN geen goals meer zoals vroeger in De Meer. Dan kwam die bal van de zijkant keihard laag over de grond. Dan hoefde je als spits je teen er maar tegen te zetten en vloog dat ding met een noodgang tegen het net. Typische Ajax-goals, die zie ik in de Arena niet. Voetbal is voor mij: schoenen, bal en veld. Het materiaal moet picobello in orde zijn. De trainer levert het systeem en de tips, ik het gereedschap. Daarom voel ik ook druk als die gasten het veld opgaan. Ik zeg altijd: als jullie bij een open kans wegglijden, staat Sjakie de volgende dag ook in de krant.
Ik kan niet begrijpen dat er zo makkelijk wordt gedacht over het materiaal. Dan staat er voor miljoenen aan spelers op het gras en dan zie je ze soms voortdurend wegglijden, zoals De Bilde bij PSV. Dat kan toch niet?
Voetballers denken dat ze zelf genoeg weten over schoeisel en noppen. Maar ik weet na dertig jaar precies wat je nodig hebt voor welk veld en er is geen Ajacied die zelf zijn noppen indraait. Michael Laudrup kwam hier en vond het maar gek dat hij zijn schoenen moest afgeven, maar hij deed het wel en later begreep hij waarom het beter was dat ik het deed. Toen hij wegging zei hij: bij Real Madrid en Barcelona heb ik zo'n specialist niet meegemaakt.
Ik heb geen verbeelding, ik ben alleen ontzettend bezig met de spulletjes, omdat ze het verschil kunnen maken. Kijk, tegen een plensbui zoals zondag in Utrecht ben je kansloos, dan kan ik rustig achterover gaan zitten. Maar daarvoor ben ik bezig om de juiste nop te kiezen. Op donderdagavond ben ik er vaak voor de wedstrijd van het komende weekeinde al uit, dan neem ik de weersvooruitzichten alvast mee in mijn keuzes en vaak zit ik goed. Als ik ze dan ga indraaien ben ik met mijn 65 jaar toch een beetje aan het voetballen met die gasten.
Het is een misverstand te denken dat je bij een nat veld vooral lange noppen moet nemen. Die spelers denken dat, het geeft een veilig gevoel. Maar als ze met die lange noppen komen aanzetten, zeg ik altijd: gaan we weer olieboren jongens? Je moet van die bolletjes hebben, dan heb je toch grip, sta je niet te vast en heb je weinig gras dat aan de schoen blijft hangen.
Vroeger had je geen keuze, alle noppen waren van leer. Ik kon ze hooguit bijwerken of er een stukje vanaf zagen. Omdat er weinig variatie mogelijk was, gleden spelers vaker weg. Maar Cruijff bleef met die leren dingen op elk veld overeind. De grootmeester ging nooit glijden.
Schoenen zijn altijd persoonlijke dingen, maar al tientallen jaren vertrouwen de spelers ze aan mij toe. Geels werd altijd een beetje in de maling genomen door zijn collega's omdat hij van die ouderwetse Quickie's had. Dan zaten de jongens in de kleedkamer en riep Ruud mij even bij zich. Sjakie, zei hij dan, laat nu de delicatesse maar binnenkomen. Dan ging ik even weg en kwam even later terug met een dienblad waarop de schoenen van Ruudje stonden.
Het voetbal van Ajax is gebaseerd op techniek en snelheid en daar moet ik op inspelen. Daarom ben ik ook na twee jaar nog steeds onrustig van het veld in de Arena, ik kan er maar niet aan wennen. Die bal gaat niet meer rond zoals jaren geleden. Ook heb ik vaak moeite om er de juiste nop bij te kiezen. Zelfs bij een goede keuze zie je zomaar een heel stuk veld meegaan bij een actie. Toen we de openingswedstrijd speelden zat ik in de rust in de kleedkamer toen de spelers net weg waren. Op de vloer lag over de hele oppervlakte gras, twee centimeter dik. Toen voelde ik me al niet goed.
Ik ga niet over het veld, ik ben fulltime materiaalman en geen terreinknecht, maar er zou best vaker overleg mogen zijn. Het veld in de Arena is waterpas, maar een waterpas veld is kwetsbaar. Het moet rond zijn. Tonrondte bedoel ik. Zodat je vanaf de ene zijlijn de andere zijlijn niet kunt zien.
Sommige dingen veranderen nou eenmaal. Maar een ding blijft gelijk en dat is de bal van Ajax, de Derby Star. Al zo lang als ik hier ben, spelen we daarmee, tussendoor zijn andere merken geprobeerd, maar nooit tot onze tevredenheid. En wat ook al dertig jaar hetzelfde is gebleven is een oude juten PTT-zak waarin ze worden vervoerd. Dat is een beetje bijgeloof.
In Zagreb mag er niet worden gesproken over de Derby Star. We trainen deze dagen met de Adidasbal, de bal waarmee Croatia Zagreb speelt. Die bal is door ons gescout, dat doen we altijd voor een uitwedstrijd. Als we naar PSV moeten, trainen we ook een paar dagen met een Nike-bal.
Met de bal is het net als met schoenen, het moet perfect zijn. De juiste spanning. Ik ga met gevoel met mijn spullen om, maar ook met de spelers. Ze weten dat ik een soort vertrouwensman ben, een doktertje. Als ze het veld opgaan moet ik ze toch altijd effe het laatste woordje toevoegen aan de zijlijn. Dan zat Van Gaal wel eens gek te kijken als ik ze nog even op scherp zette. Ik zeg altijd: kom op, lachen hoor. We gaan de oorlog toch niet in?
Ik lach en ik huil met de jongens. Die nieuwe Jesper die we nu hebben, Grnkjaer ja. Die zei al na drie weken: jij bent een vader voor mij. Ik spreek al die talen niet, maar toch. Die Nigerianen komen 's ochtends als eerste binnen en dan zingen ze elke dag een speciaal liedje. Ik ga dan naar ze toe en neurie elke keer mee. Zo mooi. Laatst kwam Oliseh terug van het WK en hij haalde uit zijn tas het groene shirt dat hij voor Nigeria had gedragen. Zonder een woord te zeggen gaf hij het aan me. Dan springen de tranen in mijn ogen.
In een tijd waarin je buurman al geen goeiemorgen meer zegt, moet je die dingen koesteren. Vorige week kwam er een een auto het dek van de Arena oprijden. Naast de bestuurder zat een klein jongetje. Hij was helemaal geel en dichtbij de dood. Hij wilde een keer de kleedkamer van Ajax zien. Toen ik hem uit de auto wilde tillen, bleek dat hij het fysiek niet meer kon. Ik ben zo moe, zei hij een paar keer. Toen schoot ik vol. Ik heb een bal gehaald met handtekeningen van alle spelers. Hij ging lachend weg, maar misschien leeft hij niet meer. Zo'n jongen, dat is nou mijn Ajacied.' (ROB VAN DER ZANDEN)