*

Aanmelden
parool.nl
Vrij, Onverveerd

Waar een wilg is, is een weg

16-11-09   09:20 uur

Op zoek naar Winneke Remmerswaal

LEO VERHEUL

Uit Sporttijdschrift Achilles (april 2009)

Op een mooie zomeravond in 1979 schreef een jonge Nederlander in Milwaukee honkbalgeschiedenis. Als eerste Europeaan haalde hij de Major League. Win Remmerswaal maakte in korte tijd furore bij de fameuze Boston Red Sox. En toen ging het fout. Goed fout. Leo Verheul maakte het van dichtbij mee en doet verslag van de tragische schipbreuk van een gezin vol sporttalent.

Het is zo'n grauwe najaarsdag waarop mensen volgens mij wat makkelijker uit het leven stappen dan doorgaans. Het is midden in de ochtend, maar bijna donker en het miezert. We rijden door het Kralingse bos en terwijl de vallende bladeren een wedstrijdje zweefduiken doen om wie er het eerste beneden is, kijk ik opzij. Hij ziet eruit als het jaargetijde: druiperig en aftands.

'Pak zo even zo'n mentholsnoepje uit het dashboardkastje,' zeg ik, 'suikervrij. Dat scheelt een jas op onze middelbare leeftijd.'

We schelen precies twintig dagen, producten van 1954, een uitstekend wijnjaar maar, in menselijk opzicht, vol rare druiven.

'Hoezo?' vraagt mijn medepassagier, 'ruik ik uit mijn straatje?'

'Is de paus katholiek?' stel ik een wedervraag. 'Je meurt echt vrij sterk naar de drank, jongen. Kom op!'

We zijn op weg naar 'FiveT', zoals ik Ti-Ta-Tovenaar Ted Troost liefkozend pleeg te noemen. Deze in de sport gezaghebbende haptonoom moet ons helpen. Op hem is mijn laatste hoop en die van de radeloze vader van mijn kompaan volledig gevestigd.


Wassenaar, eind jaren twintig. In Kerkehout schoffelt een rijzige, broodmagere gestalte er lustig op los. Jacob Remmerswaal is tuinman bij de Haagse elite, die aan gene zijde van de Rijksstraatweg woont in kasten van villa's of daar hun buiten hebben. Jacob woont aan de verkeerde kant van de weg, in de wijk Kerkehout waar hij de armoede in de crisisjaren ziet groeien. Maar zelf heeft hij het goed. Tuinen genoeg aan de overkant en niet zulke kleintjes ook.

Terwijl veel buurtgenoten werkeloos thuiszitten, heeft Jacob werk zat en dat is maar goed ook, want hij heeft naast zijn vrouw en zichzelf zeven mondjes te voeden. Zijn kinderen zijn hem allemaal even lief, maar hij heeft één oogappel, zijn jongste zoontje, die naar hem is genoemd: Jacobus Wilhelmina Remmerswaal. Japie, die er in 1924 bij is gekomen, is een druk ventje dat altijd aan het donderjagen is en van het ene probleem in het andere rolt.

Hoe vaak hij voor die rotaap al niet naar school is geroepen... Hij doet zijn huiswerk niet, let nooit op in de klas, is brutaal en haalt ook op school constant kattenkwaad uit. Het joch is maar in één ding goed: voetballen. Dat kan hij als de beste. Hij is altijd op straat met een bal in de weer. In zijn eentje of met jongetjes uit de straat. Dan doen ze kegelvoetbal of stoepen. Of een partijtje, als ze met genoeg man zijn.

Er is aanvankelijk geen club in de buurt, maar als Japie zes is, ontpopt zich aan het einde van de straat een enorme activiteit. Net voorbij het hoekhuis, twee deuren verder, van het doodlopende straatje hebben ze een oneindig lang hek neergezet en daarachter komt VV Wassenaar. Op spuugafstand, grapt Japie trots tegen zijn vriendjes. Al gauw mag hij van zijn ouders lid worden en al net zo snel blijkt de jongen een uitzonderlijk talent. Hij is vooral vliegensvlug en holt, als door de duivel achternagezeten, gewoon wekelijks alles en iedereen voorbij.

Nadat hij als zeventienjarige het eerste elftal van Wassenaar heeft bereikt, blijft hij niet onopgemerkt door de grote clubs. In 1942 wordt het talent naar VUC gehaald, een op dat moment nog imposant bolwerk. De jonge buitenspeler zal er een paar seizoenen samenspelen met international Bertus de Harder, een fenomeen tegen wie Jaap, ondanks alle aanmaningen van diens kant, hardnekkig 'meneer' blijft zeggen.

Het voetbal beheerst zijn leven. Andere sporten boeien hem niet en de term honkbal kent hij niet eens. In die tijd wordt deze Amerikaanse sport in Nederland nog niet beoefend. Dat komt pas na de oorlog onder invloed van alhier gestationeerde militairen en ambassadepersoneel. Het moet, net als jazzmuziek en kauwgom, allemaal nog ontdekt worden. Laat staan dat Jaap Remmerswaal kan bevroeden welk een enorme invloed het honkbal op zijn leven zal krijgen.

Het maakt hem in die tijd nog niet veel uit wat er op zijn pad komt. Het leven lacht hem toe. Hij is ervan overtuigd dat hij een zondagskind is en zo gedraagt hij zich ook. De oorlog maakt hij op een goed moment mee. Het is voor veel mensen een verschrikkelijke tijd, dat begrijpt hij ook wel, maar voor hem is het een avontuur. Hij meldt zich bij het verzet en maakt dingen mee die hij voor geen goud had willen missen.

Zo krijgt hij met een paar anderen na het bombardement op Londen de opdracht om zich te installeren in een van de villa's langs de Rijksstraatweg. Zijn taak is om, glurend vanachter het gordijn, de vrachtwagens te tellen die vol kerosine komen aanrijden om de V1's en V2's van de Duitsers te bevoorraden, die op nog geen halve kilometer van zijn ouderlijk huis staan opgesteld. Als er dan in de loop van de tijd een flink aantal de villa is gepasseerd, gaat een van hen, Maus Gatsonides , er als een speer vandoor om de informatie aan Londen door te seinen, waarna de Spitfires komen aangesneld om de Duitse stellingen te bestoken.

Dat is wel bizar. Het mag dan onvermijdelijk zijn, maar je graaft wel bijna continu je eigen graf en dat van je familie, want de Engelse bombardementen geven een enorm vuurwerk. Er blijft geen ruit heel in zijn buurt. Maar Jaap Remmerswaal is in die dagen bezeten van een zekere doodsverachting. Bang wordt hij pas als de oorlog schijnbaar is afgelopen. De geallieerden zijn al gearriveerd, maar her en der heb je nog plukjes zich verzettende Duitsers. Het is bloedlink om dergelijke kliekjes tegen het lijf te lopen. Als hij op weg is naar een geheime plek waar ze zich moeten melden, loopt hij in een fuik. Met compromitterend materiaal op zak. Twee SS'ers, met getrokken pistool, houden hem aan. Een van hen begint hem agressief te ondervragen. De ander, een Nederlander, kijkt fronsend toe.

Die Hollander kent hij als Tinus Osendarp , een vermaard spintkampioen. Binnen het verzet gaat het verhaal dat dit 'foute' loopwonder niet lang daarvoor achter een ontsnapte Nederlandse gevangene is aangerend om hem zonder aarzeling dood te schieten. Het loopt Remmerswaal dun door de broek.

Osendarp kijkt hem nog steeds onderzoekend aan. 'Jij speelt toch bij VUC? Remmerswaal, is het niet?'

Onze held knikt als een mitralleur van ja.

'Oké, doorlopen!'

Dan weet Jaap Remmerswaal het zeker. Hij heeft een engeltje op zijn schouder. Hij is geboren voor het geluk.

Na een uur knikkebollen in de wachtkamer van de praktijk van Ted Troost hoor ik een deurknop knarsen, gevolgd door het sonore stemgeluid van de imposante haptonoom. 'Ga jij maar zitten,' zegt Troost en wijst de 'patiënt' een stoel. En, gebarend naar mij: 'Nou mag Assepoester even met me mee. We zijn zo terug.'

Ted Troost ploft krachtig op zijn stoel neer achter zijn bureau, zucht theatraal en kijkt me vervolgens een volle minuut indringend aan. 'Laat ik er niet omheen draaien. Dit is een gevalletje ''zwaar hopeloos''. Meneer verzuipt niet zozeer in de alcohol, maar eerst en vooral in zelfmedelijden. Hij had schatrijk kunnen zijn, maar blessures dit en dat. Hij had dolgelukkig kunnen zijn, maar zijn vrouw wil hem niet meer en zijn dochter mag hij niet meer zien. Hij heeft heg noch steg. Zijn ouders begrijpen hem niet. Hún stomme schuld. Hij heeft helemaal niemand meer. God zijn schuld. Je weet dat ik graag iemand in nood help, zeker topsporters, maar ze moeten wel geholpen wíllen worden. Jij kunt nu maar één ding doen om hem echt te helpen: het contact verbreken. Zeg dat ie je kan bellen als ie echt wil stoppen, maar dat je hem anders niet meer wil zien. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Misschien als ie echt de bodem heeft aangetikt dat ie te helpen is. En nou opzouten, Verheul.'

Het is in de oorlogsjaren dat Jaap Remmerswaal het meisje van zijn dromen ontmoet. Het is een meisje uit de buurt dat hij al zijn leven lang kent, maar ineens met andere ogen is gaan bekijken. Met haar wil hij oud worden. Hij zet zijn actieradius nog een tandje hoger en besluit om naast al zijn los-vastbaantjes, de voetbaltrainingen en zijn bezigheden voor het verzet naar de avondschool te gaan. Hij maakt de mulo af en doet daarna de hbs.

Het levert hem direct na de oorlog de baan op die hij tot zijn pensioen zal houden: assistent-uitgever bij een bedrijf aan de Rijksstraatweg. Hij wil een flink gezin. Geen zeven kinderen, zoals zijn ouders, maar toch zeker wel vier. Als het even kan zoons. Naar zijn gevoel heeft hij zelf niet alles uit zijn voetballoopbaan gehaald. Na een paar seizoenen bij VUC is hij teruggekeerd naar Wassenaar. Te overhaast wellicht. Hij herinnert zich het stukje in de Haagsche Courant uit zijn begintijd bij VUC, nadat het Feyenoord van Bas Paauwe, Puck van Heel en Jan Linssen een afstraffing (5-2) had gekregen. Uitblinker Jaap Remmerswaal was niet te stoppen geweest, schreven ze die maandag in de krant, en een ware kwelling voor de Feyenoorddefensie.

Nee, er had absoluut meer in gezeten.Misschien zelfs wel Oranje. Maar zijn zoons moeten er straks wel alles uithalen en als geen ander zal hij hun de weg kunnen wijzen.

En weer wordt Remmerswaal op zijn wenken bediend. Hij krijgt vier gezonde, sterke zonen: Hans, Harry, Winneke en Jerry en alle vier doen ze graag aan sport. Hij kan zijn geluk niet op en organiseert het zo dat hij geen wedstrijd van zijn kinderen hoeft te missen. Het zijn gouden tijden want stuk voor stuk zijn de jongens bovengemiddeld getalenteerd.

De honkbalsport heeft inmiddels zijn opmars gemaakt en VV Wassenaar heeft een bijveld omgetoverd tot een heus honkbalcomplex. Hans, die als voetballer gewoontjes is, groeit als eerste van het gezin naar het hoogste niveau in die tak van sport. Hij schopt het tot tweede honkman bij hoofdklasser Storks en schurkt tegen het Nederlands negental aan.

De volgende in lijn, Harry, kiest voor het voetbal en reikt via Spijkenisse tot de hoogste afdeling van het zaterdagvoetbal, dat eind jaren zestig, begin jaren zeventig van een uitzonderlijk hoog niveau is. De jongen is net zo rap en technisch als zijn vader. Jaap Remmerswaal ziet zijn zoon tegen het militaire elftal, met allemaal profs in de gelederen, uitgroeien tot man van de wedstrijd en hoopt op een doorbraak in het betaald voetbal. Maar hoewel Harry wordt gevolgd door verschillende profclubs, het hoogste niveau haalt hij niet. Mentaal komt de rechtsbuiten tekort.

Dan komt het mooiste. Zoon Winneke, officieel Wilhelmus Abraham, wordt het goudhaantje van de familie. Hij haalt op zeventienjarige leeftijd het Nederlands honkbalteam, ontstijgt in een mum van tijd het bescheiden niveau in Europa en trekt twee jaar later naar de Verenigde Staten om zijn geluk te beproeven in het land waar je met deze sport multimiljonair kunt worden. Win kan ook uitstekend leren, maar breekt zijn studie aan de TH in Delft af om zijn droom na te jagen: als eerste Nederlander, als eerste Europeaan furore maken in de Major League.

Win Remmerswaal maakt dat ook waar. Nadat hij eerst op proef is geweest bij de Kansas City Royals legt het fameuze Boston Red Sox hem op 22 november 1974 een contract voor. Hij is dan twintig jaar. Een gouden toekomst als topwerper in de States ligt voor hem. Bijna vijf jaar later, op een broeierige vrijdagavond in augustus 1979, schrijft Winneke Remmerswaal geschiedenis door als eerste geboren en getogen Nederlander zijn entree te maken in de Major League.

Zondagskind Jaap Remmerswaal kan het niet bevatten. Is dit een film? Een nachtmerrie? Een paar dagen eerder, op 28 april 1993, is het fatale telefoontje binnengekomen. Zijn zoon Harry heeft een einde aan zijn leven gemaakt als gevolg van een ongelukkige liefde. Remmerswaal loopt naar de rand van het graf en tuurt ongelovig naar beneden. Maar daar ligt toch echt een kist, met daarin zijn kind. Hij gooit een handje aarde omlaag en recht zijn rug. En kijkt vervolgens over zijn schouder heen naar zijn drie overgebleven zonen en ziet op die manier niet dat het engeltje er niet meer zit.

Vier jaar later sta ik met Theo van Gogh en Win Remmerswaal aan hetzelfde graf. En aan het graf van Jerry, de jongste. En aan het graf van Hans, de oudste, die aan de gevolgen van kanker was overleden. Het gezin Remmerswaal is in korte tijd en in die volgorde op meedogenloze wijze uitgedund. Ik kijk opzij naar de grootste Nederlandse honkballer aller tijden en denk enigszins te begrijpen waarom hij dreigt te ontsporen.

In gedachten ga ik terug naar onze eerste ontmoeting in het najaar van 1979. Ik werkte een dik jaar als sportjournalist voor Het Vrije Volk en had gehoord dat Remmerswaal over was uit de States. Hij was geblesseerd aan zijn rechterschouder. Dat was pech voor hem, mazzel voor mij. Normaal gesproken overwinterde hij na het seizoen in het warme Costa Rica, om honkballend (winterball) een extraatje bijeen te schrapen. Maar nu pakte hij zogezegd zijn rust om zijn schouder te laten genezen. Eindelijk kon ik hem interviewen!
We spraken af op een terras aan de Rijksstraatweg, vlak bij zijn ouderlijk huis, op een vrijdagmiddag om twee uur en het werd een onvergetelijke dag, én avond, én weekend. Remmerswaal vertelde een slag in de rondte en ik kon er geen genoeg van krijgen. Af en toe knipperend met mijn ogen: daar zat hij dan. Werper in de Major League, werper van de Red Sox! Deze jongen had het nu al helemaal gemaakt. Ik volgde hem op de voet. Hoe hij op 15 augustus van dat jaar debuteerde tegen de Milwaukee Brewers. Er hadden 50.000 toeschouwers op de tribune gezeten, die zagen hoe de werper van de Red Sox in de problemen raakte. Toen hij naar de bullpen was gestuurd om zich op te warmen, had hij eerst nog snel een zakje pinda's gekocht. Last van stress had de werper niet.

Op het terras in Wassenaar had Remmerswaal het echter niet over zijn succes, maar vooral over de moeilijke eerste jaren dat hij daar als jong pikkie moest zien te overleven. Want de Amerikanen wensten hem elke ochtend een nice day, maar deden er geen fuck aan om daartoe bij te dragen. Hij was heel, heel erg eenzaam geweest en is het nog steeds. Soms. Vaak, toch wel. Maar goed, hij was een loner, het was allemaal wel te doen. Wilde ik nog wat drinken?
Hij riep voor de zoveelste keer de ober en legde uit hoe het er bij de Boston Red Sox aan toe ging. Over de uppers en downers die in de kleedkamer rondgingen, een verhaal dat ik al kende uit een berucht interview dat hij anderhalf jaar eerder aan Nieuwe Revu had gegeven. En hij had het over de feesten, de uit de klauw lopende bacchanalen op hotelkamers, die soms volledig door de honkballers verbouwd werden. Je vocht op Major Leagueniveau niet alleen tegen de meedogenloze concurrentie en je tegenstander, maar ook en vooral tegen jezelf, tegen drugs en tegen drankzucht. Het was een bizar leven.

Na een paar uur stopten we met het interview. Ik had genoeg. Hij was ook nog met het ongelofelijke verhaal op de proppen gekomen van een teamgenoot die vanachter zijn handschoen had staan pissen terwijl het volkslied werd gespeeld en de camera de kopjes van de spelers had staan pannen. Het was inmiddels de hoogste tijd, vond Remmerswaal, om het Haagse nachtleven in te duiken en toen ik de volgende ochtend na een paar uurtjes slaap op een bank wakker werd in een flatje ergens in Kijkduin, wist ik dat ik het bijzonder naar mijn zin had gehad en dat Win dat in de aanpalende kamer nog steeds had met een of andere nieuwe verovering.

We namen na een stevig ontbijt een paar slokjes tegen de kater en voor ik er erg in had, werd ik alweer wakker, maar nu in een bed naast een licht snurkend meisje dat er, na een voorzichtige bestudering, zeer appetijtelijk uitzag. Ik liet de gebeurtenissen rustig op me in werken en herinnerde me vaag dat Remmerswaal me op de tweede avond had voorgesteld aan een of andere schoonheid en me even later met een knipoog had verzekerd dat ze ruimdenkend was.

Maar waar was ik? En mijn auto? En op welke dag leefden we eigenlijk? Dat moest zondag zijn...! In mijn hoofd brak de hel los. Om twee uur moest ik in Dordrecht zijn waar DS'79 tegen Wageningen moest spelen. Een wedstrijd die niemand mocht missen en zeker ik niet, want ik moest er een verslag van maken voor de krant.

Op de begraafplaats, aan de graven van zijn broers, schiet Win vol en schrik ik op uit mijn herinneringen. Theo en ik zijn die ochtend een beetje geschrokken van de spanning die er bij de ex-honkballer thuis hing. We hebben de honkballegende opgezocht voor het in het strikte geheim (Sport 7, kijkcijfer 0) uit te zenden sportprogramma Time Out. Remmerswaal is na een mislukt huwelijk in Italië, waar hij in zijn nadagen nog een paar jaar had gespeeld, uit geldnood weer bij zijn ouders gaan wonen en kennelijk is dat niet zo'n goed idee geweest.

Theo merkt al tijdens het voorgesprek op dat Win naar de drank ruikt en het is dan net tien uur. Zijn gesprekspartner lult aan één stuk door; volgens Van Gogh heeft hij speed gebruikt. Win vertelt over zijn broer Jerry, werper bij ADO, die na een partijtje tennis thuiskwam en voor zijn ogen in elkaar zakte. Hij lag zelf languit op de bank en begon te lachen omdat hij dacht dat zijn broertje een geintje maakte.

Remmerswaal springt van de hak op de tak. Tegen mij zegt hij dat alle ellende begon met die schouderblessure. Na ons interview eind 1979 had hij nog één behoorlijk seizoen gedraaid. Dat weet ik, zeg ik, en ik roep het verhaal op hoe hij Reggie Jackson met drie slag had weggestuurd en hoe de legendarische slagman van de New York Yankees in de volgende slagbeurt langs hun dug-out was gelopen en met zijn hoofd een lichte buiging had gemaakt voor de jonge Nederlandse werper. Ik memoreer ook een stukje in The Boston Globe in juli 1980 na een magistraal optreden van Remmerswaal, die met zijn fastball en gevreesde slider  de Orioles had bedwongen. De krant: 'Remmerswaal was so superb that even the Orioles sang the praises on Win...'

Maar het seizoen erop was hij meteen doorgestuurd naar Pawtucket, naar het filiaal van de Red Sox dat in de Triple A (het eennahoogste niveau) speelde. Zijn blessure was steeds weer teruggekomen. Hij bleek tendinitis te hebben in zijn rechterschouder, een chronische peesontsteking. Gek werd hij ervan, en van ellende, eenzaamheid en verveling was hij steeds meer gaan drinken. Waarop zijn vader Jaap in zijn onschuld opmerkte dat je ook dááraan kon zien hoe verschrikkelijk goed zijn zoon was geweest. Win was volgens hem een onverbeterlijke kwartaaldrinker. Hij was in Amerika soms dagen spoorloos, maar steeds weer namen ze hem in genade aan omdat hij zo uitzonderlijk getalenteerd was. Ondanks alle alcohol en blessures is zijn zoon toch tot 22 wedstrijden (55 innings) in de Major League gekomen en daar was hij als vader nog steeds apetrots op.

En Win vertelde hoe hij ook daarna in Italië altijd met helse pijn had gespeeld. Hoe hij Clothilde, zijn grote liefde, had ontmoet en vader was geworden. Hij sprak met waterige ogen over Alessia, die hij van zijn Italiaanse ex niet mocht zien. Bij Parma was hij aanvankelijk ook na de nodige problemen ontslagen maar teruggekeerd voor een ware triomftocht.

Als gezinshoofd had hij het roer omgegooid en zichzelf naar zijn laatste grote succes geworpen. Hij won in 1986 met Parma de Europa Cup en had in de finale slechts één honkslag weggegeven! Aan deze kant van de grote sloot was hij nog steeds de beste. Voor wat het waard was. Daarna was het supertalent weer in zijn oude gewoonte teruggevallen.

En nu? Nu heeft hij niets meer. Geen gezin, geen broers, niets... Terwijl hij staat te snikken, zie ik Theo's gezicht verstarren. Van Gogh pakt de gevallen honkballer ineens keihard aan. Dat ie niet zo moet zwelgen in zelfmedelijden, dat ie de dood van zijn broers niet mag aangrijpen als excuus voor zijn eigen ellende, maar juist moet gebruiken als motivatie om van zijn leven toch weer iets te maken en dat ie eens aan zijn ouders moet gaan denken.

Ik verstijf, maar Winneke is in een keer nuchter en bedankt even later bij het afscheid Theo van Gogh voor zijn eerlijkheid.

Een paar weken later bel ik Win op. Om te vragen hoe hij de uitzending heeft gevonden. 'Maar hij is vannacht niet thuisgekomen, meneer,' zegt zijn vader, 'kunt u niet eens met hem praten. Het is zo'n ellende met die jongen. Mijn vrouw en ik gaan eraan kapot.'

Ik beloof het en praat in de weken die volgen, drammerig als ik kan zijn, fanatiek op zoonlief in. Maar het zijn gesprekken als kat-en-muisspelletjes. Steeds als ik iets aanroer, valt het allemaal dik mee. Zijn ouders moeten niet zeuren, zijn vrouw komt nog wel tot inkeer en het gaat steeds beter met hem. Met al zijn persoonlijke ellende is het toch normaal dat hij af en toe doorzakt...

Maar niet elke dag, werp ik tegen, en ik voer aan dat zijn vader me heeft verteld dat het een 'aangeboren' probleem is, dat hij zijn zoon bij de cadetten, bij het nationale jeugdteam, wel eens dronken op de achterbank naar Santpoort heeft gereden en dat hij dan een paar uurtjes moest wachten en hem dan pas durfde af te zetten, als hij zijn roes enigszins had uitgeslapen.

Privésores zijn geen oorzaak, houd ik hem voor, en ook zijn drankverslaving is geen oorzaak, maar een gevolg ergens van. Wat is zijn probleem? Waarom proberen we daar niet achter te komen?
En ik haal hem, steeds minder tegensputterend, uiteindelijk over om Ted Troost te raadplegen. Na dat consult zegt Win Remmerswaal achteloos: 'Wat weet zo'n modern medicijnmannetje nou helemaal...?'

Daarna hebben we nog twee keer contact. Telefonisch. Ik heb hem, naar het advies van Troost, gezegd dat we elkaar beter niet meer kunnen zien, maar dat hij me moet bellen als hij echt hulp wil. Na een paar maanden belt hij op. Hij wil het allemaal anders gaan doen, zegt hij, en hij wil voor de volgende dag afspreken, maar al snel kan ik niet volgen waar hij het over heeft. Ik vraag hem te gaan slapen en me een dag later eerst terug te bellen. Als hij nuchter is.

Een jaar gaat voorbij voordat ik hem weer aan de lijn krijg. Win zegt dat hij opnieuw het geluk heeft gevonden. Hij woont samen met een of andere Ilse, een gescheiden vrouw met twee kinderen. De warmte van een gezin, dat was nou precies wat hij nodig had. Hij drinkt nog wel, maar gecontroleerd, want hij wil zijn huidige relatie beslist niet op het spel zetten. Ik wijs hem op het gevaar dat er toch altijd weer dreigt in te sluipen. Juist nú zou je hulp moeten zoeken.

'Waar een wilg is, is een weg,' roep ik, gedragen, door de telefoon.

'Waar een wilg is, is een weg,' proeft Remmerswaal aan de andere kant van de lijn mijn oneliner, 'dat is een goeie. Ik moet niet langer verwoed op zoek gaan naar de wilskracht die ik toch niet bezit, maar op zoek naar een weg, naar een uitweg.'

Waar een wilg is, is een weg, herhaal ik en ik vertel hem dat ik een huis heb gekocht in Zuid-Spanje en dat ik binnenkort definitief uit Nederland vertrek. Hij moet maar een keertje langskomen, zeg ik ter afscheid en ik geef hem het nummer van mijn moeder.


Tien jaar later sta ik op sinterklaasdag voor de deur van verzorgingstehuis Preva in Den Haag. Met de chocoladeletter W in mijn hand. Op de bovenste etage woont Win Remmerswaal.

In december 1997, een paar maanden na ons laatste gesprek, was hij bewusteloos aangetroffen, in coma geraakt als gevolg van een dubbele longontsteking en pleuritis. Toen hij na een paar weken ontwaakte, waren zijn hersenen en zenuwstelsel zodanig aangetast dat hij voor de rest van zijn leven op een rolstoel is aangewezen, gevoed moet worden en er slechts in beperkte mate met hem te communiceren valt.

Hij heeft zijn heldere momenten. Zoals wanneer ik die ochtend naast zijn bed sta en hij mij meteen herkent. 'Hé Verheul,' roept hij redelijk verstaanbaar, 'eindelijk een echte sint uit Spanje op bezoek...'

En even later, als we het hebben over wat er destijds met hem is gebeurd, sist hij met zijn bizarre gevoel voor humor: 'Ach, het valt allemaal reuze mee met me. Ik ben helemaal niet op straat gevonden, zoals door sommigen wordt gesuggereerd. Ik had alleen hoge koorts gekregen en toen ben ik naar mijn ex gegaan in Zoetermeer en daar even op bed gaan liggen...'

Als we, nadat hij is gewassen, in de bezoekersruimte zitten, moet ik een sigaret in een daarvoor bedoeld pijpje doen en schuin boven zijn hoofd houden zodat hij de rookwaar uit de lucht kan grijpen. Nadat hij drie sigaretten achter elkaar heeft weggepaft, suggereer ik dat het nu misschien een goed idee is om even te stoppen.

'Het is alles wat ik nog heb,' antwoordt Remmerswaal verongelijkt en hij begint schamper te lachen.

Maar als ik opper dat ik even met hem wil praten, draait hij zijn rolstoel mijn kant op en knikt. 'Dat kan,' zegt hij, 'praten kan ik nog steeds.'

Ik moet een paar keer vreselijk lachen als we herinneringen ophalen, maar opeens heeft hij het over een spaceshuttle waarin hij een reis heeft gemaakt. 'Toen was ik erg ziek, weet je,' zegt hij, 'die reis heb ik echt gemaakt.'

Een paar minuten later komt hij er ineens op terug. 'Zou ik die ruimtevaart nou echt hebben meegemaakt? Of zou mijn katholieke achtergrond me in dezen parten spelen?'

Zijn vader, die in 2001 ook nog zijn echtgenote, na een hecht huwelijk van ruim 50 jaar, had zien bezwijken aan alle ellende, had me er al voor gewaarschuwd. 'Af en toe zit hij ineens in een psychose. Dan slaat hij een zijstraatje in, zo noem ik het maar. Hij zegt soms ineens tegen me dat het allemaal mijn schuld is, omdat ik alcoholist ben en het hem met de paplepel heb ingegoten. Nou, ik drink helemaal niet. Ja, voor de gezelligheid een biertje of een half borreltje. Ik hou er niet zo van.'

Trots vertelt Win dat zijn vrouw over een paar weken langskomt. Met de kerst. Zijn dochter, die is afgestudeerd in de politicologie en op het moment studeert in Amerika, is twee keer per jaar op bezoek. Voor haar leeft hij. Met zijn vrouw is hij in het reine gekomen. Zij heeft hem verteld dat hij altijd haar grote liefde zal blijven en dat ze nog steeds van hem houdt.

'Nono,' heeft Clothilde tegen vader Jaap gezegd. 'Hij heeft het geprobeerd. Echt! Meer dan een jaar heeft ie geen druppel gedronken. We zijn toen heel erg gelukkig geweest. Meer zat er gewoon niet in en daar heb ik nu vrede mee.'

Als ik hem vraag of er verder veel bezoek komt, schudt hij heftig van nee. 'Niemand!'

Maar van zijn vader hoor ik dat dit niet helemaal klopt. Bruce Hurst is twee jaar geleden speciaal voor hem overgekomen. Hurst, ook een werper, zat met Win een paar jaar in Pawtucket en brak een jaar na de Nederlander door bij de Red Sox en hield het veertien seizoenen vol aan de top. Tijdens dat bezoek had Winneke volgens zijn vader veel heldere momenten gehad. Maar ook collegapitchers Wim van de Heuvel en Mike Ocon van Sparta zijn langs geweest. Alleen van zijn oude clubs zelf, Storks en ADO, of van Oranje niemand. Nee, die weer niet.

'Die maat van je,' zegt Win Remmerswaal ineens, zomaar vanuit het niets, 'is ook dood hè? Theo van Gogh.'

Hoe bedoel je ook? vraag ik.

Het blijft even stil. Dan zegt hij: 'Echt leven is dit ook niet... ik zit nog steeds in die spaceshuttle. Soms zou ik er wel even uit willen... Kun jij dat regelen?'

Oorspronkelijk verschenen in Sporttijdschrift Achilles (april 2009)

Lees '@wegelius luistert naar Van Morrison' van Frank Heinen.
Lees 'Je moet liegen als je wilt meedoen' van Mark van Driel en Mark Misérus op volkskrant.nl



gerelateerde artikelen

Alles over

GESPONSORDE LINKS

PAROOL NIEUWSBRIEF

Elke middag gratis de hoogtepunten uit het nieuws in uw mailbox?

U kunt zich voor deze service van Het Parool opgeven via parool.nl/lunchnieuws.
De Persgroep Digital
© 2014 - Alle rechten voorbehouden