Opinie Bewaar

Als we samen waren, was alles brommers, wiet en meisjes

James Worthy
James Worthy © Agata Nowicka

We komen elkaar tegen op de Elandsgracht. De laatste keer dat we elkaar zagen was in 1996. Hij droeg toen een petje van de Chicago Blackhawks en ik droeg een petje van de Charlotte Hornets.

We waren jong en onzeker over alles, maar we waren in het bijzonder onzeker over ons haar. En terecht. Ik had gortdroog schapenhaar en hij had op zijn dertiende al inhammen.

Zijn vader kreeg opeens een baan aangeboden in Gouda en een week later was hun huis leeg. We hadden wel afgesproken dat we vrienden zouden blijven. Er was zelfs een soort contract.

Hij schreef zijn naam op mijn rugzak en ik schreef mijn naam op zijn rugzak, opdat we elkaar nooit zouden vergeten. Elke avond liep ik langs zijn oude huis om te kijken of er licht brandde in zijn slaapkamer, maar het was er altijd donker.

Een jaar later kocht ik een nieuwe rugzak.

"Hoe gaat het met je?" vraagt hij vanachter zijn tweelingkinderwagen.
Toen we nog jong waren, vroeg hij nooit aan me hoe het ging, want hij kon aan me zien hoe het met me ging. Het ging goed met me als we samen waren, want als we samen waren, was alles simpel. Brommers, wiet en meisjes. Als we samen waren, was alles brommers, wiet en meisjes.

Hij was mijn beste vriend in de periode van mijn leven dat het nog niet belangrijk was of ik lekker rook. Aftershave bestond nog niet. We stonken, omdat we wilden stinken. Vies was goed, want vies was anders en dat was alles wat we konden zijn.

In de goot was het leven simpel. Je gaat gewoon liggen en probeert niet dood te gaan

Ik weet nog dat we twaalf Bosatlassen uit het Amsterdams Lyceum stalen en dat we deze probeerden te verkopen aan De Slegte. De man achter de balie vroeg hoe we aan die atlassen waren gekomen. "We hebben ze gevonden in het bos," zei mijn vriend.

Sinds die uitspraak was hij niet alleen mijn beste vriend, maar was ik ook een beetje verliefd op hem. Van dat atlassengeld kochten we een plak Marokkaanse hasj en met open rode ogen droomden we over de toekomst. Onze dagdromen konden jaren duren.

"Jeetje, man, je hebt gewoon een tweeling," zeg ik.

"Ja, is dat jouw zoontje?"

Ik knik. Hij zucht.

"Het vaderschap is het hoogst haalbare, echt waar, maar verlang jij soms ook niet heel eventjes naar het allerlaagste?" vraagt hij.

"Of ik af en toe de goot mis sinds ik een kind heb? Ja, soms mis ik de goot. In de goot was het leven simpel. Je gaat gewoon liggen en probeert niet dood te gaan."

"Weet je nog dat we een boomhut hadden op de Pieter Lastmankade?"

"Ik weet alles nog."

"Buitenspelen tot de zon onderging?"

"Ja, buitenspelen tot de zon onderging en dat we dan aan de zon gingen vragen of ie alsjeblieft wat langzamer onder kon gaan."

Maar de zon luisterde niet. Ik kijk naar hem. De jongen die ooit in de prullenbak van het wiskundelokaal poepte, is een man geworden. Ik kijk naar de man, maar ik mis de jongen.

De zon luisterde niet.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns terug. Reageren? james@parool.nl