Amsterdam Bewaar

Is gezondheid een kwestie van wilskracht?

Jaap Seidell
Jaap Seidell © Hollandse Hoogte

VU-hoogleraar Jaap Seidell beantwoordt wekelijks vragen van lezers over voeding en gezondheid. Zelf een vraag? Mail dan naar j.seidell@parool.nl.

Is gezondheid een kwestie van wilskracht?

Ik hoor regelmatig van lezers dat ze zich schuldig voelen als het niet lukt om minder te snoepen, snacken of drinken. En blijvend afvallen lukt vaak ook niet. ­Gewoon een kwestie van gebrek aan wilskracht? Die indruk wordt wel vaak gewekt, vandaar het schuldgevoel.

Ik was laatst bij een lezing van een gerenommeerde medische wetenschapper. Na een inleiding over risicofactoren voor een hartinfarct toonde hij een foto van zichzelf. Een aantal jaren jonger, maar een flink aantal kilo's zwaarder. Op een bepaald moment, vertelde hij, had hij 'de knop omgezet' en was hij rigoureus ­anders gaan eten.

De volgende dia's toonden links vernauwde en rechts schone open bloedvaten. Dat laatste was het resultaat van al die inspanningen. Hij keek daarbij de zaal indringend aan over zijn brilletje en ­concludeerde: "Het hartinfarct is dus een keuze." Een gezond hart door wilskracht.

Hoe is dat te rijmen met boodschappen van populaire hersenboeken als 'de vrije wil bestaat niet'? Gedrag is volgens de auteurs het resultaat van onbewuste en ­automatische reacties op prikkels uit onze omgeving. Een schijnbaar hopeloos uitgangspunt voor gedragsverandering in een omgeving vol verleidingen.

Wilskracht wordt door velen als een te cultiveren deugd gezien en een gebrek daaraan als een persoonlijk falen. Het zou een soort bekwaamheid zijn, net als uithoudingsvermogen. Net als uithoudingsvermogen zou je daadkracht door training kunnen vergroten, maar je kunt evengoed ook uitgeput raken.

Het blijkt echter dat het centraal stellen van wilskracht bij gedrag een te simpele karikatuur maakt van het complexe proces dat nodig is voor het aanleren van nieuwe gewoonten. Ons gedrag komt namelijk inderdaad grotendeels voort uit impulsieve reacties op onze omgeving.

Het concept van wilskracht dicteert dat je, als je je gedrag wilt veranderen, die reflexen moet onderdrukken of ­negeren. Volgens nieuwere inzichten moet je echter juist gebruik maken van die natuurlijke reacties op prikkels bij de geleidelijke overgang van oude naar nieuwe gewoonten.

Een omgeving creëren of opzoeken die onbewust verleidt tot de gezondere keuze is daarbij essentieel. Gezonder gedrag belonender maken dan het ongezondere alternatief helpt ook. Ga bijvoorbeeld met je beste vrienden gezond koken in plaats van in je eentje een pizzapunt met cola voor de tv weg te werken.

Wat belonend is, is voor iedereen verschillend. Ga op zoek naar wat voor jou werkt, in plaats van te vertrouwen op die ongrijpbare wilskracht.

Mogen etiketten mij misleiden?

Ik ben niet religieus opgevoed, maar zat een tijdje op een katholieke school in het zuiden. Ik kan me nog, als brugklasser, die voor mij vreemde plaatjes herinneren van mannen met een ring van licht om hun hoofd.

Dat waren heiligen, werd mij uitgelegd. Op deze manier ­afgebeeld om ze te kunnen onderscheiden van gewone mensen. Zo'n ring heet ook wel een aureool. Voedsel dat bijzonder gezond geacht wordt, heeft ook zo'n ­bijzondere uitstraling: een gezondheidsaureool. Een health halo in het Engels.

Voedselfabrikanten geven ook hun minder gezonde producten graag zo'n uitstraling. Dat doen ze door geselecteerde ingrediënten met nadruk te vermelden. Zo staan op het etiket aan de voorkant van een pot Nutella hazelnoten en een glas melk afgebeeld.

Pas op de achterkant zie je in kleine lettertjes dat de voornaamste ingrediënten suiker en palmolie zijn. Per 100 gram zowaar 57 gram suiker en 32 gram vet. Zo gebruiken fabrikanten ook graag fruitnamen. Fruit is immers ook een beetje 'heilig'.

Dus werd vorig jaar Wicky Aardbei 'met 30% minder suiker' geïntroduceerd. Mooi plaatje van een grote aardbei op de voorkant. Een ideaal drankje voor je kind. Tot je leest dat het drankje slechts 10% vruchtensap bevat, waarvan 0,6% aardbei. Dat is pakweg één gram aardbei in een pakje van 200 ml suikerwater.

Nog twee voorbeelden: een pakje gedroogde kippensoep van Royco bevat nauwelijks kip (0,6%) maar wel veel zout (1,6 gram per kop) en zetmeel.

Afgelopen jaar won 'Optimel Griekse stijl drinkyoghurt honing walnoot smaak' nog het Gouden Windei van Foodwatch. Er zit geen honing in en ook geen walnoot. Door de woordjes 'stijl' en 'smaak' is dat blijkbaar wettelijk toegestaan.

Dit soort fopperij is onverdedigbaar, gezien de maatschappelijke kosten van de overmatige consumptie van suiker, zout en vet. Het Europees Hof van Justitie verbood in 2015 misleidende suggesties op verpakkingen: 'De etikettering van een levensmiddel mag de consument niet misleiden door de indruk te wekken dat het een ingrediënt heeft dat het in werkelijkheid niet bevat.'

Organisaties als de Consumentenbond en Foodwatch eisten dan ook al herhaaldelijk en terecht een duidelijke vermelding van de voornaamste ingrediënten op de voorkant van de verpakking en niet alleen in kleine ­lettertjes op de achterkant.

Het suggereren van een gezondheidsaureool bij ongezond voedsel laat een product met nauwelijks boontjes lijken op 'heilige boontjes' en de gemiddelde consument gaat daar met boter en suiker in.

Waarom geven scholen snoep?

Veel Amsterdamse ouders en hun kinderen bezoeken in deze tijd van het jaar meerdere drukke open dagen van middelbare scholen. Die presenteren zich zo gunstig mogelijk aan de aanstaande brugklassers. Amsterdam heeft immers een vorm van loting en matching waarbij kinderen een voorkeurslijst van 12 middelbare scholen invullen waarna een algoritme hen plaatst.

Een aantal ouders schreef mij daarover. Niet om te klagen over de methode van plaatsing, maar over de manier waarop scholen zich aantrekkelijk proberen te maken voor leerlingen.

"Wij zijn enorm verbaasd over de enorme hoeveelheden snoep die worden uitgedeeld. Engelse drop bij Engels, Haribo-snoepzakjes bij Duits, muntendrop bij wiskunde, schalen drop bij de uitgang."

Een andere ouder noemde de proefles geschiedenis waarin het leenstelsel werd uitgelegd aan de hand van een op te delen boterkoek. Na de uitleg mochten de kinderen de koekpunten opeten.

Een dochter was enorm in haar nopjes met het molecuulmodel dat ze bij scheikunde had mogen maken van kokindjes verbonden door satéprikkers. Het model mocht ze meenemen naar huis. Lekker!

Als je een dozijn scholen hebt bezocht, heeft je kind jaszakken vol snoep gescoord. Waarom scholen menen zich voor te moeten doen als het snoephuisje van de heks van Hans en Grietje is wel duidelijk. Je lokt er kinderen mee. 'Knibbel, knabbel, knooltje, wie knabbelt er aan mijn schooltje?'

Kinderen worden van jongs af aan bij voortduring getroost of beloond met snoep. Dat je kinderen in een betere stemming kunt krijgen door ze iets lekkers te geven weet iedereen wel uit ervaring. Het werkt ook bij volwassenen.

Een aloude truc: als je kijkers krijgt bij het huis dat je wilt verkopen, bak je vlak daarvoor een appeltaart. Door de heerlijke geur en smaak bekijken de aspirant-kopers eventuele verzakkingen, vermolmde kozijnen en oude lekkages veel minder kritisch.

Maar kinderen zijn extra kwetsbaar. Wetenschappelijk onderzoek wijst uit: snoep gebruiken als beloning in het onderwijs is een slecht idee. Kinderen worden bevestigd in het idee dat vaak en veel snoepen iets goeds is dat ook door mensen met autoriteit zoals leraren als zodanig wordt beschouwd. Het ondermijnt de snoeprantsoenering die ouders proberen te handhaven.

De schoolkeuze proberen te beïnvloeden door traktaties is een vorm van ongewenste kindermarketing. Schoolleiders en leerkrachten blijken zich hiervan niet of nauwelijks bewust te zijn. Verleiden met snoep hoort er gewoon bij. Het is hoog tijd dat dat verandert.

Waarom is junkfood zo goedkoop?

Een lezer vond in de jaszak van haar dochter van tien de wikkel van een rol koekjes. Het prijsje van de prijsvechter zat er nog op: 49 cent.

Gevoelens van verbazing (hoe kunnen koekjes zo goedkoop zijn?) en boosheid (wie verleidt mijn dochter tot het kopen van die goedkope rommel?).

Een rondje discounters bevestigt dat koekjes belachelijk goedkoop kunnen zijn. Ik vond er pakken en rollen biscuits, roze koeken, lange vingers en minikano's met prijzen tussen de 49 en 99 cent voor 200-300 gram. Je kunt die koekjes voor dat geld zelf niet bakken. En wat kan je kind na schooltijd voor dat bedrag aan gezonde tussendoortjes kopen in het Kruidvat, de Xenos of de Action? Ik heb in mijn rondje goedkope winkelketens niets kunnen vinden.

Sterk bewerkt voedsel kan zo ridicuul goedkoop geproduceerd worden doordat het in bulk wordt gemaakt van goedkope ingrediënten en de producten langdurig houdbaar zijn. Dat pak lange vingers kun je gerust, als je zo lang kunt wachten, over tien jaar nog opeten.

Vergeleken met verse, onbewerkte, niet-houdbare producten als fruit en groenten zijn er minder kosten voor transport en opslag en is er minder verspilling. Fruit en groenten moeten immers vaak met de hand ­geoogst worden en ze moeten voorzichtig, gekoeld en snel worden getransporteerd om ze vers in uw winkelmandje te ­krijgen. En als ze niet meer vers zijn, worden ze vaak weggegooid. Het grootste deel van de prijs van vers wordt bepaald door die kosten in de keten. De boer of teler vangt niet veel voor zijn producten.

Koekjes worden gemaakt van goedkope ingrediënten, zoals mais, soja, tarwe, rijst en suiker. Die komen uit ­lagelonenlanden of worden in rijke landen goedkoop geproduceerd met landbouwsubsidies. Veel van die ­gesubsidieerde ingrediënten worden verwerkt in veevoer en goedkope rommelvoeding. En consumenten zijn er dol op, want die producten zijn naast goedkoop ook nog eens erg lekker.

Een Amerikaans onderzoek liet zien dat meer dan de helft van de inname van calorieën uit voedsel kwam dat met de meeste overheidssubsidie werd geproduceerd.

Mensen die relatief veel van die gesubsidieerde producten aten, vaak met een laag inkomen, hadden relatief vaak last van obesitas, type 2 diabetes en een hoger risico op hart- en vaatziekten. Zo subsidiëren overheden indirect rommelvoedsel en ondermijnen ze tegelijkertijd de volksgezondheid; een aspect dat veel meer aandacht behoeft in ons voedings- en voedselbeleid.

Is fruit als toetje onverstandig?

Een lezer had bij een maaltijd met vrienden bedacht om fruit mee te nemen als toetje. Dat viel niet in goede aarde bij alle tafelgenoten. Fruit na de maaltijd zou leiden tot buikpijn en een opgeblazen ­gevoel.

Dit idee lijkt inderdaad wijdverbreid. Ik vond er op internet talloze verwijzingen naar. Als fruit wordt gegeten samen met ander voedsel, gaat door de aanwezigheid van fruitsuikers de maaginhoud gisten, zo is de redenering.

Dat vergisten zou tot gasvorming in je maag leiden en daardoor een opgeblazen gevoel geven. Dat idee gaat blijkbaar ver terug, want de ayurvedische leer zegt al dat fruit alleen gegeten mag worden op een lege maag.  

Voor dat gisten en rotten in de maag heb je bacteriën nodig. Maar de inhoud van de maag bevat zoveel zoutzuur dat er vrijwel geen bacteriën in overleven. De uitzondering is de bacterie helicobacter pylori die, als je ermee besmet bent, kan leiden tot maagwandontstekingen en maagkanker. Maar die bacterie speelt in dit verband verder geen rol. Als het voedsel eenmaal de maag heeft verlaten en in de dunne darm terechtkomt, wordt het door enzymen uit vooral de alvleesklier verder afgebroken.

Die enzymen zijn juist uitstekend in staat mengsels van voedsel te verteren. Als dat niet het geval zou zijn, zouden wij als omnivoren met een sterk gevarieerde voeding voortdurend grote problemen ondervinden met onze spijsvertering.

Waar komt dat opgeblazen gevoel dat velen regelmatig ervaren na de maaltijd dan wél vandaan? Die vraag is nog niet zo eenvoudig te beantwoorden, want tal van factoren, zoals stress, alcoholgebruik, roken, inactiviteit, medicijngebruik en darmziekten kunnen daar een rol bij spelen.

Maar ook voedsel speelt een belangrijke rol, want het opgeblazen gevoel is meestal het gevolg van gas dat ontstaat door de afbraak van voedsel door bacteriën als het is aangekomen in de dikke darm.

Dat is bijvoorbeeld het geval als melkdrinkers het enzym missen dat melksuiker (lactose) afbreekt. Bacteriën breken de suikers dan af, waarbij gas wordt gevormd. Ook zetmeelrijke groenten zoals bonen, ui, prei, erwten en linzen kunnen leiden tot hinderlijke gasvorming, evenals het eten van verschillende koolsoorten en sterk gekruid voedsel.

Fruit na de maaltijd is juist een uitstekende keuze. Het bevat meestal minder calorieën dan allerlei andere toetjes en de vitamine C bevordert de opname van stoffen als ijzer uit de voeding.

Maar alcohol is toch gezond?

In de eerste maanden van het jaar word je ermee doodgegooid: challenges. De sugar challenge daagt je uit een maand geen suiker te eten. Zo zijn er ook de veggie-, de vegan- en de footprint challenge. Ook voor alcohol zijn er uitdagingen: dry January of zelfs 40 of 90 dagen geen alcohol drinken. Er is vrijwel geen krant waar geen ervaringen met dit soort challenges zijn opgetekend.  

Ik vind deze challenges een uitstekend idee. Mensen die eraan beginnen ervaren hoe moeilijk het is om zaken als suiker en alcohol in onze samenleving te mijden en ze bemerken ook de effecten van het schrappen ervan op hun welbevinden. Die zijn, na een paar dagen ontwenning, vrijwel altijd positief: meer energie, betere nachtrust en beter mentaal functioneren. Ook bij mensen die daarvoor dachten dat ze hooguit matige, sociale drinkers waren.

Van de Nederlanders van 19 jaar en ouder valt ruim tien procent in de categorie 'zware drinkers': dat wil zeggen dat zij minstens één keer per week meer dan vier (vrouwen) of zes (mannen) glazen alcohol op een dag drinken.

Overmatig drinken komt het meest voor bij twintigers en het minst bij de groep van 70 jaar en ouder. De overgrote meerderheid van de volwassenen is een 'matig drinker' (maximaal één glas per dag voor vrouwen of twee glazen per dag voor mannen).

Veel matige drinkers zien hier het probleem niet van in: "Matig drinken is toch juist gezond?"

Het klopt dat in vergelijking tot mensen die zeggen niets te drinken, matige drinkers iets langer leven en minder hartinfarcten krijgen. Maar wanneer je corrigeert voor het feit dat bij de geheelonthouders ex-drinkers zitten, is die gezondheidswinst geheel verdampt.

Mensen die stopten met drinken hadden daar meestal gezondheidsredenen voor, zoals alcoholisme of een andere ziekte. Matig drinken heeft dus geen duidelijke gezondheidsvoordelen. Zware drinkers hebben bovendien wel degelijk meer kans op ziekten en op vroegtijdig overlijden.

De wereldgezondheidsorganisatie beschouwt alcoholische dranken als één van de belangrijkste veroorzakers van welvaartsziekten. Alcohol verhoogt de bloeddruk en is kankerverwekkend. Er is eigenlijk geen veilige ondergrens voor alcoholinname als het gaat om het risico op kanker.

Een commissie van de Gezondheidsraad gaf in 2015 dan ook als advies: drink geen alcohol, en als je toch drinkt, dan niet meer dan één glas per dag. Een droge conclusie en een nuchter advies.

Schillen: opeten of weggooien?

In mijn jeugd kwam wekelijks de schillenboer langs. Een sjofel mannetje in een blauwe overal met, in mijn herinnering, een oud en wat somberend paard dat voortsjokte voor een rammelende kar vol schillen.

Op de luide roep 'schillûûh' van de schillenboer kwamen de buurtbewoners met hun gevulde schillenemmer uit hun huizen om die in de kar te legen.

Vermoedelijk waren er al in de zeventiende eeuw schillenboeren. Jef Last dichtte in 1930: 'Ik ben de schillenboer, geef mij voor onze beesten voer, Dames, Heeren van de straat, geef mij wat gij over laat, geef mij schillen, geef mij brood, anders gaan ons beesten dood, Schillen!'

De schillen, vooral van aardappels, werden hier ­inderdaad vooral opgehaald om als veevoer te dienen. Inmiddels zijn de schillenboeren verdwenen en op veel plaatsen vervangen door containers voor groente-, fruit- en tuinafval, waarvan de inhoud meestal wordt verwerkt tot compost.

Aardappels werden in de tijd van de schillenboer driftig geschild, omdat mensen bang waren voor de giftige stof solanine. Solanine ontstaat onder de schil als aardappels groen worden na blootstelling aan licht, maar bij gewone gele aardappels is schillen onnodig. Ook van de schillen van komkommers en aubergines wordt vaak ten onrechte gedacht dat die vol giftige stoffen zitten.

Schillen zijn er van nature voor de bescherming van de wortel, knol of vrucht en daarom zitten ze vol antioxidanten, zoals vitamine C, om bederf aan de binnenkant van de vrucht te voorkomen. De vezel maakt de schil stevig en beschermt fruit en groenten tegen ­bedreigingen als insecten en schimmels.

Voor ons is die vezel goed tegen obstipatie. Zo zit bijvoorbeeld ongeveer de helft van de hoeveelheid vezel in een aardappel in de schil en dat is voor voedingsstoffen als ijzer zelfs 90 procent. In feite gooien we met de schillen vooral een groot deel van de voedingsstoffen van de aardappelen, komkommers en aubergines weg. Ook het schrappen van wortels en bieten is overbodig.

Veel mensen schillen tegenwoordig fruit en groente vanwege de chemische verontreinigingen, zoals bestrijdingsmiddelen op de schil. Maar toxicologisch onderzoek wijst uit dat we ons daarover niet veel zorgen hoeven te maken.

Goed afschrobben en afspoelen is over het algemeen voldoende, schillen is meestal niet nodig. Door schillen op te eten in plaats van weg te gooien krijgen we meer voedingsstoffen binnen, besparen we tijd in de keuken en vermijden we een vervelend klusje.

Waarom mislukken die voornemens?

Toekomstvoorspellingen zijn lastig. Maar de voorspelling dat u uw goede voornemens ook dit jaar niet zult realiseren, is statistisch gezien niet zo riskant. ­

Kantar Public (voorheen TNS Nipo) voerde onlangs in opdracht van zorgverzekeraar Zilveren Kruis een onderzoek uit naar goede voornemens. De resultaten laten zien dat die voornemens vooral over ons eigen ­gedrag gaan. Afvallen, meer sporten, gezonder eten,
u kent ze wel.

Interessant aan het onderzoek was de bevinding dat onze goede voornemens sinds de Tweede Wereldoorlog steeds meer op onszelf gericht zijn, steeds minder op het verbeteren van de maatschappij en minder op onze naasten.

Het past in de trend dat we ons steeds egocentrischer gedragen. Onderzoek laat zien dat sociale ­media (zoals Twitter, Facebook en Instagram) aan die toenemende navelstaarderij hebben bijgedragen.

Mijn tijdlijn op sociale media is vol statistieken en kaartjes van anderen die onderstrepen hoeveel ze nu weer gerend, gefietst en gewandeld hebben. Minstens even vaak komen er foto's langs van eigen culinaire hoogstandjes en creatieve brouwsels.

Veel trendwatchers zien dan ook een toekomst in wat ze noemen ­'personalized nutrition' of 'personalized medicine'; op biomedische karakteristieken gebaseerde en via smartphones verzonden individuele gedragsadviezen.

Dat is een ongelukkige ontwikkeling, omdat investeren in sociale relaties en maatschappelijke verbeteringen minstens zo belangrijk is voor een goede gezondheid als het individueel najagen van persoonlijke doelen.

Over die persoonlijke gedragsdoelen kunnen we kort zijn: die worden meestal niet gehaald. Minder dan tien procent zegt zijn goede voornemens van het jaar ervoor te hebben gerealiseerd. De meesten geven hun pogingen om hun doelen te halen al in de eerste maand op.

Er zijn tal van redenen voor. Meestal zijn de voornemens niet realistisch en niet concreet (bijvoorbeeld: 'ik ga afvallen' zonder te bedenken hoe). Meestal wordt ook geen rekening gehouden met consequenties zoals de noodzaak van het anders indelen van de tijd om de doelen te bereiken.

Bij het realiseren van gedragsdoelen, zoals gezonder eten en meer bewegen, is het veel belangrijker om te zoeken naar sociale steun. Neemt u zich daarom liever voor een kook- of wandelclub te starten. Daar doet u zichzelf én anderen een plezier mee.

Hoe bak ik oliebollen?

Mensen bakken al vele duizenden jaren voedsel in olie of vet, maar rond de dertiende eeuw is het geheel onderdompelen in hete olie populair geworden en zijn Europeanen van alles gaan frituren.

Frituren heeft ­allerlei voordelen; het maakt veel voedsel lekker (want vet), voedzaam en houdbaar. Dit gebruik verspreidde zich snel over de wereld.

Oliebollen zoals we die nu kennen, bakken wij vanaf ongeveer de zeventiende eeuw. Oorspronkelijk in Nederland vooral in raapzaadolie en in België vooral in dierlijk vet ('smout'; ze heten daar dan ook wel smoutebollen).

Een tekstje uit 1809 vertelt hoe Nederlandse migranten het meenamen naar New York: 'The table was sure to boast an enormous dish of balls of sweetened dough, fried in hogs fat and called dough nuts or oly koeks.'
Niet lang daarna begonnen ze in de VS zelf grootschalig donuts te maken, om ze vervolgens het hele jaar door te eten in plaats van alleen op oudejaarsavond.

Oliebollen bakken is een fascinerend proces. In de ­dagen voor oudjaar stond ons huis vroeger volledig in het teken van het maken van het beslag en het rijzen ­ervan onder een theedoek ('Niet met de deuren slaan, anders zakt het beslag in!').

Het spannendst was het ­moment waarop mijn moeder (het haar bedekt met een handdoek tegen de vette damp) lepels beslag onderdompelde in de hete olie. Mislukken was een reële ­mogelijkheid. Ik kon gefascineerd toekijken hoe het taaie kleffe mengsel in een handomdraai veranderde in een goudbruine, heerlijk geurende luchtige bol.

Later leerde ik in Wageningen wat er chemisch precies gebeurde. De hete olie (180 tot 190 graden Celsius; dat luistert nogal nauw) maakt dat het water in het beslag gaat ­koken. Binnen een paar seconden ontstaat een laagje stoom aan de buitenkant waardoor er geen olie wordt opgenomen in het beslag, maar er wel water kan ontsnappen.

De bubbeltjes die u ziet opstijgen betekenen niet dat de olie kookt; het zijn waterdruppels die in de vorm van stoom opstijgen. Dat gaat door totdat al het water is verdwenen. Daarnaast ontstaan door de warmte allerlei chemische processen (maillardreacties) in de suikers en eiwitten waardoor de bruine korst ontstaat en aroma's worden gevormd.

Verzadigd dierlijk vet geeft bollen een minder olieachtige smaak dan wanneer ze in plantaardige olie zijn gebakken. Het is een kwestie van voorkeur. We eten oliebollen maar zelden, en dan is lekker belangrijker dan gezond.

Liever kokoswater dan sportdrank na inspanning?

Kokoswater lijkt het lievelingsdrankje te worden van de recreatieve sporter. Het zou niet alleen de dorst lessen en sportprestaties verbeteren, maar ook nog eens goed zijn voor je brein, immuunsysteem, bloedsomloop, urinewegen enzovoorts.

Kokoswater is een snelgroeiende ster in het assortiment van frisdrankbedrijven. Een gemiddelde supermarkt verkoopt tot wel een dozijn verschillende merken (met of zonder smaakjes).

Het kokoswater dat je hier kunt kopen, is doorgaans gemaakt van concentraat, waarna er naast water vaak smaakstoffen en suiker aan worden toegevoegd.

Sommige merken bevatten evenveel suiker als frisdrank, of zelfs meer. Zonder toegevoegde suiker en smaakstoffen roept het bij mij de associatie op van water waarin vieze sokken hebben liggen weken, maar dat blijkt voor veel consumenten geen bezwaar.

Kokoswater wordt gewonnen uit jonge groene kokosnoten (5 tot 7 maanden oud). In arme landen waar schoon drinkwater schaars is kan het een uitkomst zijn: een door Moeder Natuur veilig verpakte dorstlesser. Het was dan ook van levensbelang voor Polynesiërs op hun lange zwerftochten over zee.

Kokoswater is vooral water (ruim 95 procent). Het bevat van nature per 100 ml 3 gram suiker en redelijk wat kalium (250 mg). Daarnaast zit er wat natrium in (105 mg) evenals magnesium (25 mg), calcium (24 mg) en fosfor.

Als je zweet, verlies je vooral water en daarin opgeloste zouten. Gemiddeld verliezen we 4 tot 5 keer zo veel natrium als kalium en het drinken van kokoswater helpt daarom niet om de zoutbalans in het lichaam te herstellen. Daarnaast is kokoswater mild laxerend, waardoor je nog meer water en mineralen verliest.

De claim dat kokoswater beter hydreert dan een sportdrank is in 2011 in de VS in een aantal rechtszaken ('class action lawsuit') verworpen. Fabrikanten mogen daarom niet meer claimen dat kokoswater beter is na inspanning dan sportdrank, maar die claim vind je nog volop op internet.

Recente onderzoeken lieten zien dat sporters ook niet beter presteren als ze kokoswater drinken in plaats van gewoon water. Wel vonden de atleten het kokoswater zodanig vies, dat ze er spontaan veel minder van dronken. Ook rapporteerden ze meer maag-darmklachten na het drinken van het kokoswater.

Het lijkt erop dat het voornaamste voordeel van kokoswater het relatief hoge gehalte aan kalium is. Maar kalium zit ook volop in groente en fruit. Drink dus gewoon water als je wat gezweet hebt.

Kokoswater drink je het liefst op een Polynesisch strand met een rietje uit een jonge kokosnoot. 

Hoe stop ik verstopping?

Poepen is uit de taboesfeer. Een overvloed aan programma's en boeken onderhouden ons met kennis over onze darmen en ontlasting. Zo kan de discussie bij populaire talkshows nu zo maar gaan over de wc-gewoonten van de gasten.

Laatst hoorde ik op de radio een ­gesprek over de kleur, vorm en consistentie van ontlasting en wat die zouden betekenen voor de ­gezondheid.

Die rehabilitatie van de stoelgang is echter wel degelijk een goede zaak. Veel decennia hebben we alles rondom onze voedselvertering en de uitscheiding van de restproducten ervan zorgvuldig verborgen onder een deken van besloten ruimtes, hygiëne en parfum.

We leren onze kinderen al op jonge leeftijd dat poep vies is en we besteden veel aandacht aan de zindelijkheidstraining van ons kroost. Het kunnen ophouden van de ontlasting door het kind wordt door de ouders vaak gevierd als een opvoedsucces.

Het niet toegeven aan aandrang is echter ook één van de eerste factoren die tot obstipatie leiden. Langdurig ophouden kan leiden tot harde en pijnlijke ontlasting, wat het toegeven aan de aandrang weer verder doet ­afnemen.

Er kunnen ook kloofjes in het darmvlies ontstaan (fissuurtjes), die ontlasting nog pijnlijker maken, en zo kan een vicieuze cyclus ontstaan, met chronische obstipatie en bijbehorende darmklachten tot gevolg.

De Nederlandse eetgewoonten kunnen makkelijk leiden tot verstopping. Kinderen hebben zo'n 20-25 gram vezel per dag nodig, maar de gemiddelde inname is maar 15-17 gram. Meisjes doen het wat dit betreft slechter dan jongens (en hebben ook wat vaker last van obstipatie).

Meer groenten, fruit en volkoren granenproducten eten is dan ook belangrijk voor een gezonde stoelgang. Ultrabewerkt voedsel (zoals witbrood, chips, ijs en koekjes) is vaak vezelarm en bevordert verstopping. Obstipatie is dan ook vooral een welvaartsziekte.

Andere aspecten van onze moderne leefstijl, zoals stress en een gebrek aan lichaamsbeweging, zijn ook ­ongunstig. Maar een kind met obstipatie moet je niet zomaar vezelrijk voedsel geven, want dan neemt het ­volume van de ontlasting toe en dat kan nog meer pijn veroorzaken in een al geïrriteerde darm.

Beter is het dan te beginnen met medicatie die de ontlasting zachter maakt, bijvoorbeeld macrogol. Dit stimuleert de stoelgang waarna geleidelijk kan worden overgegaan op een gezond voedingspatroon met voldoende vezels.

Poepen beschouwen als een normale en natuurlijke activiteit die niet onderdrukt hoeft te worden is het ­beste uitgangspunt voor een gezonde darm.

Waarom is iedereen dol op avocado's?

'Ongelooflijk, hoeveel van die vette vruchten er door collega's worden verorberd, gewoon als broodbeleg," stelde een Paroolredacteur. "De markt springt ook in op de vraag, want je hoeft ze niet meer een week naast een banaan te leggen voor ze eetbaar zijn."

Avocado's zijn inderdaad bijzonder populair en we importeren er jaarlijks bijna 150 miljoen kilo van. Het grootste deel voeren we overigens ook weer uit. Ons land is na de VS de grootste importeur van avocado's ter wereld (vooral uit Peru, Zuid-Afrika en Chili) en onze eigen consumptie is in tien jaar meer dan verdubbeld.

Toen ik ruim 25 jaar geleden een tijdje in de Verenigde Staten werkte, at ik voor het eerst avocado's. Tortillachips met guacamoledip waren daar op feestjes al even onvermijdelijk als Coca-Cola.

Hier in Nederland duikt nu de avocado op als ingrediënt in tal van producten, zoals salades, wraps en smoothies. De avocado (de naam is afgeleid van een oud inheems Zuid-Amerikaans woord voor teelbal) is een bes en hoort daarom eigenlijk thuis in de fruitsectie van de supermarkt.

Een rijpe avocado is lekker zacht en smeuïg door het hoge vetgehalte. Een hele avocado weegt zo'n 200 gram en bevat ongeveer 350 kilocalorieën, waarvan het overgrote deel geleverd wordt door vet.

Dat hoge vetgehalte en de grote hoeveelheid calorieën waren de afgelopen decennia voor veel mensen een reden om de avocado te mijden en te verruilen voor allerlei vetarme light­producten.

Gelukkig maken we ons tegenwoordig meer zorgen over de kwaliteit van calorieën en vet dan over de kwantiteit ervan. Dat avocadovet is dan ook grotendeels onverzadigd en daarom relatief gunstig voor het risico op hart- en vaatziekten. De vetzuren in avocado lijken sterk op die in olijfolie. Ook is avocadovlees rijk aan allerlei vitamines en mineralen.

Ten slotte zit er ook nog eens 10 gram voedingsvezel in deze vrucht. Met elke hap avocado krijg je dus een hoop voedingsstoffen binnen en omdat het goed verzadigt, eet je er moeilijk te veel van. Ondanks de grote hoeveelheid calorieën is een hoge avocadoconsumptie dan ook geassocieerd met een lager ­lichaamsgewicht. Die mineralen helpen om je bloeddruk goed te houden.

Over de gezondheidsaspecten van de avocado zijn dan ook niet veel twijfels. Wel over de vraag hoe je weet of de avocado die je koopt rijp is op het moment dat je hem wilt eten.

Waarom lust ik geen vreemd voedsel?

De meeste ouders van jonge kinderen kennen het verschijnsel 'wat de boer niet kent, eet hij niet'. Maar ook volwassenen merken dat dit gezegde opgaat voor henzelf of bijvoorbeeld hun partner. Dit verschijnsel, dat officieel voedselneofobie heet, blijkt inderdaad bij mensen van alle leeftijden voor te komen.

Ik herinner mij een collega in Schotland die midden jaren tachtig zijn huis had laten verbouwen. Om de werklui te bedanken had hij ze uitgenodigd voor een buffet met heerlijke salades en gezonde hapjes.

De mannen bleven wat bedremmeld bij de deur staan. Het bleek dat ze de groentegerechten en salades helemaal niet kenden. Na een uurtje was iedereen weer weg. Alle drank was op, maar het eten was onaangeroerd.

Ruim driekwart van de kinderen tussen de twee en tien jaar staat weigerachtig tegenover nieuwe voedingsmiddelen, maar in ons onderzoek bij scholen voor voortgezet onderwijs en bedrijfskantines in Amsterdam laten ook veel tieners en volwassen werknemers voor hen onbekend voedsel het liefst links liggen.

Veel ouders denken dat het weigeren van voedsel door hun peuters puur een kwestie is van een machtsstrijd tussen hen en hun kinderen. Dat is niet zo.

Biologisch gezien is het heel verstandig dat kinderen niet zo maar alles dat ze tegenkomen in hun mond stoppen, maar alleen dat voedsel accepteren dat ze al kennen. Het eten dat je ouders je als baby gaven is zeker te vertrouwen, maar nieuw voedsel kan gevaarlijk zijn.

Wat ooit een evolutionair voordeel was, is echter nu een ­belemmering voor een gezond en gebalanceerd voedingspatroon. Kinderen en volwassenen die lijden aan voedselneofobie hebben gemiddeld ongezondere ­voedingsgewoonten dan wie meer open staat voor het uitproberen van nieuwe smaken.

Volgens deskundigen zijn er drie redenen voor voedselneofobie bij volwassenen: een afkeer van de smaak of geur van bepaald voedsel, het idee dat bepaald ­voedsel je fysiek in gevaar kan brengen of uitgesproken walging, waarbij het voedsel meteen wordt uitgespuugd.

Meestal heeft dat laatste te maken met de textuur van het voedsel, bijvoorbeeld als dat slijmerig of gelatineachtig is of een ongewenst mondgevoel veroorzaakt. Weerzin overwinnen en wennen aan een smaak en die leren waarderen, of ervaren dat iets niet gevaarlijk is, is makkelijker, maar het vereist wel geduld en motivatie.

Beter is het om kinderen in het eerste levensjaar al te laten kennismaken met gezond voedsel dat varieert in geur, smaak en textuur.

Welk voedsel verzadigt het best?

Een lezer merkte op dat hij een toastje gedoopt in olijfolie minder machtig vond dan een toastje met room­boter. Zou plantaardig vet minder verzadigen dan dierlijk vet?

Verzadiging is complex. Het is het resultaat van allerlei signalen uit het maag-darmkanaal (bijvoorbeeld het gevoel van een 'volle maag') en het bloed (bijvoorbeeld een laag bloedsuikergehalte) naar de hersenen. Het verzadigingsgevoel is, hoewel veel mensen dat wel ­denken, meestal niet gekoppeld aan de hoeveelheid ­calorieën.

Integendeel, voedingsmiddelen die rijk zijn aan eiwit, vezel en water (en relatief laag in calorieën) zijn over het algemeen meer verzadigend dan vetrijke caloriebommen. Groenten, fruit en bonen zijn daarom verzadigender dan cake, koekjes en croissants.

Dat verzadigende effect verloopt via tal van hormo­nale signalen naar het brein. Eiwit in de voeding onderdrukt bijvoorbeeld het hongerhormoon ghreline sterk en langdurig, terwijl vet dat nauwelijks doet. Eiwitten hebben ook een langduriger effect (vele uren na de maaltijd) dan koolhydraten, omdat het bloedsuiker na het eten van koolhydraten sneller weer gaat dalen, wat leidt tot eetlust.

Plantaardig eiwit heeft een vergelijkbaar effect als dierlijk eiwit, maar eiwitrijke maaltijden op basis van plantaardig voedsel, zoals bonen, zijn toch vaak meer verzadigend omdat dat meer vezels bevat.

Niet alle vezelsoorten onderdrukken het hongergevoel. Vezelrijke haver- en roggeproducten en bonen blijken het meest verzadigend. Koolhydraten hebben een verzadigend effect via het bloedsuikergehalte, maar ook doordat ze leiden tot verhoogde afgifte van insuline (een hormoon met een eetlustonderdrukkend effect).

Al deze effecten treden vrij snel na de maaltijd op.

Vet onderdrukt dus maar beperkt de eetlust. De woorden verzadigd en onverzadigd bij vet hebben geen betrekking op de remming van eetlust, maar op de structuur van de verbindingen in de vetmoleculen.

Vetzuren zijn moleculen die ook kunnen verschillen in de lengte. Vetzuren met een relatief korte lengte remmen onze trek meer dan langere vetzuren. Boter bevat redelijk veel van die relatief korte vetzuren (zoals boterzuur) en olijfolie niet. Het is daarom goed mogelijk dat een toastje met boter wat beter verzadigt dan één met olijfolie.

Vette producten vinden we lekker. Het is daarom toch aannemelijk dat, hoewel ze geen sterk effect hebben op de verzadiging, we er toch veel van eten. Hoeveel we eten wordt maar zeer ten dele bepaald door honger en verzadiging, en meer door de smaak, consistentie en beschikbaarheid van voedsel en onze eetgewoonten.

Mag mijn peuter eten uit potjes?

Fabriekseten heeft een slechte reputatie. Kant-en-klaareten zit vaak vol toevoegingen om het lekker, makkelijk en houdbaar te maken, maar dat maakt het ook relatief ongezond.

Veel ouders hebben daardoor een schuldgevoel als ze hun jonge kinderen voeren uit een potje. Aan de andere kant hebben nogal wat jonge ­ouders nauwelijks de kennis, vaardigheden en tijd die nodig zijn om zelf dagelijks vers eten te bereiden voor hun kroost.

Onze verre voorouders hadden geen blenders of staafmixers maar kauwden het eten zelf voor en gaven het mond-op-mond aan hun kind.

Wetenschappelijke studies laten zien dat die praktijk allerlei voordelen had. Niet alleen maakte het voedingstofrijke voedingsmiddelen verteerbaar, maar via het speeksel kwamen ook allerlei stoffen mee die goed zijn voor het immuun­systeem.

Bovendien versterkt het de interactie tussen moeder en kind. Helaas kunnen zo ook ziekteverwekkende bacteriën en virussen worden overgebracht. In vrijwel alle tijden en culturen was dit dé manier om je baby te voeden na de periode van borstvoeding, maar het werd in onze post-industriële maatschappij als ­barbaars gezien en is nu vrijwel geheel afgeschaft.

Als je kind ongeveer acht maanden oud is, kan het ­leren vast voedsel te kauwen en door te slikken, ook al hebben ze nog geen tanden en kiezen. Een ingewikkeld proces, waarmee veel spieren en hersenactiviteit gemoeid is.

Leren kauwen is goed voor de ontwikkeling van het brein. Daarnaast is het gunstig als kinderen al vroeg allerlei smaken leren herkennen en waarderen.

Tussen één en drie jaar is het daarom aan te raden je kind zo veel mogelijk hapjes met afzonderlijke maaltijdcomponenten te geven zoals broccoli, aardappels en vlees. Met dat aanleren van smaken kun je al tussen de vier en zes maanden beginnen, met gepureerd voedsel ('oefenhapjes').

Onderzoek waarbij 278 potjes baby- en peutervoeding werden vergeleken met recepten liet zien dat de kwaliteit van de potjes gemiddeld niet overduidelijk inferieur was. De potjesvoeding bevatte gemiddeld iets meer groenten en minder calorieën, vet en eiwit dan de recepten. De potjesvoeding was daarnaast ruim twee keer zo duur als de zelfgemaakte.

Een probleem van veel kant-en-klaarproducten is dat het een mengsel bevat zonder uitgesproken smaak. Daarnaast is potjesvoeding vaak gezoet met vruchtensap. Je kind went daardoor aan zoet en dat is niet goed voor hun tanden en gewicht. Als je de tijd hebt, is zelf bereiden meestal beter voor de smaakontwikkeling.

Verpest de magnetron mijn eten?

Veel mensen denken dat rauw voedsel het gezondst voor ons is. Maar dat is niet zo. Veel voedsel (zoals graan, diverse groenten, bonen en peulvruchten, vis, vlees, eieren, melk en aardappelen) kun je beter niet rauw eten.

Soms omdat onze darmen het niet kunnen verteren (zoals bij veel groenten, bonen en aardappelen) en soms omdat er schadelijke bacteriën in kunnen zitten (zoals bij veel dierlijke producten).

Koken maakt voedsel makkelijker verteerbaar, verwijdert deels schadelijke stoffen en maakt voedingsstoffen beter beschikbaar. Enger nog dan koken, wordt door velen de magnetron gevonden. Op veel plaatsen op internet wordt beweerd dat veel, zo niet alle, voedingstoffen verdwijnen als je je eten in de magnetron verwarmt.  

De magnetron werd in de jaren veertig bij toeval ontdekt door de Amerikaan Percy Spencer, een natuur­kundige en uitvinder die aan lasers werkte en bij het ­experimenteren met radiogolven merkte dat de chocoladereep in zijn zak plotseling smolt.

Die microgolven hadden een frequentie die net wat lager is dan die van uw wifinetwerk. Rond 1985 kwamen de eerste magnetrons in de Nederlandse huishoudens en in 1995 had de helft er een in de keuken.

Inmiddels hebben vrijwel alle Nederlanders de beschikking over een magnetron. Een zegen voor de drukke consument die sindsdien aanzienlijk korter in de keuken hoeft te staan.

Wat doen die microgolven eigenlijk met ons eten? Ons eten bestaat uit moleculen die een beetje chaotisch bewegen. In warm eten bewegen die moleculen meer dan in koud eten (veel meer verschil is er niet).

Simplistisch gezegd zorgen de golven in de magnetron ervoor dat de moleculen in voedsel meer gaan bewegen en daardoor wordt het warmer.

Daar is geen water bij nodig zoals bij koken en het gaat snel. Door de snelheid en doordat er geen voedingsstoffen 'weglekken' naar het kookvocht, verdwijnen er minder voedingsstoffen dan bij langduriger koken in water.

Er is ook bezorgdheid om het lekken van stoffen uit de plastic containers waarin voedsel in de magnetron verwarmd wordt, zoals bij kant-en-klaarmaaltijden.

Het gaat daarbij om stoffen als bisfenol-A (om plastic harder en doorzichtig te maken) of ftalaten (die plastic juist zacht en flexibel maken). Die stoffen zijn erkende hormoonverstoorders, maar onderzoek heeft aangetoond dat deze stoffen niet in het voedsel terechtkomen bij het verwarmen in de magnetron.

Er zijn dus geen redenen om je zorgen te maken bij het gebruik van de magnetron in de keuken.

Hoe veilig is ons drinkwater?

Op deze plek breek ik vaak een lans voor het naar hartenlust drinken van kraanwater. De beste dorstlesser. Geen dikmaker of tandbederver zoals zoete en zure drankjes en beter voor het milieu dan duur bronwater in plastic flesjes.

Aan de andere kant horen Paroollezers veel over de vervuiling van ons drinkwater. Dat is geen nieuw probleem in Amsterdam.

In de negentiende eeuw veroorzaakte het drinken van het water uit de grachten vele duizenden doden ten gevolge van cholera. Dat hield pas op toen in de tweede helft van die eeuw heel Amsterdam werd aangesloten op het duinwater.

Toen ik in de jaren zeventig studentassistent was bij het biologiepracticum, haalden we vissen uit de Nederrijn die langs Wageningen stroomt. Vrijwel alle vissen hadden zichtbare afwijkingen aan nieren, kieuwen en lever.

De rivier was dan ook het afvoerputje van alle chemische industrieën vanaf Bazel tot en met het Ruhrgebied.

Gelukkig is dat rivierwater nu een stuk schoner, hoewel ik er nog steeds niet van zou drinken.

Bovendien hebben we naast steeds strengere internationale en nationale wetten over afvallozingen ook betere waterzuiveringsinstallaties.

Niettemin zijn er nog altijd verontrustende berichten. 'Drugs in Amsterdams drinkwater' kopte de krant bijvoorbeeld een aantal jaren geleden.

De medicijnen die worden weggegooid of uitgeplast kunnen ook niet helemaal worden weggezuiverd. Zuiveringsinstallaties verwijderen ongeveer 65 procent van de drugs en geneesmiddelen in het rioolwater. In 2013 stond een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van medewerkers van het Amsterdamse Waternet.

In het Amsterdamse drinkwater vonden zij vijftien geneesmiddelen, waarvan carbamazepine (een middel dat wordt voorgeschreven voor mensen met epilepsie of een bipolaire stoornis) en aspirine (acetylsalicylzuur) in de hoogste concentratie. De concentraties die je daardoor binnenkrijgt waren echter een factor duizend lager dan de werkzame dosis.

Volgens het RIVM zijn de risico's bij die concentraties dan ook klein tot verwaarloosbaar. Wat de langetermijneffecten van die chronische blootstelling aan lage concentraties van honderden chemische stoffen zijn, weten we echter niet zo goed. Vandaar dat er nog steeds gewerkt wordt aan minder lozing en betere zuivering.

U kunt daar natuurlijk ook zelf wat aan bijdragen door bijvoorbeeld ongebruikte medicijnen niet weg te gooien of door de wc te spoelen.

Het Nederlandse drinkwater behoort tot het schoonste van Europa en Amsterdammers drinken weer het schoonste drinkwater van Nederland, afkomstig uit de Amsterdamse Waterleidingduinen. Drinkt u dus hier rustig water uit de kraan.

Krijg ik sterke botten van kalktabletten?

Met kalk bedoelen we calcium. Calcium is een belangrijk bestanddeel van onze botten. Het Voedingscentrum zegt dat volwassenen een gram calcium per dag binnen moeten krijgen (en ouderen nog wat meer: 1,2 gram per dag). Voldoende calcium zou helpen botontkalking tegen te gaan en daarmee botbreuken op latere leeftijd kunnen voorkomen.

Ongeveer 850.000 Nederlanders (vooral zeventigplussers) hebben last van botontkalking (osteoporose). De opname van calcium in botten wordt bevorderd door vitamine D.

Daarnaast is ook vitamine K essentieel voor gezonde en sterke botten. Waarschijnlijk zijn daarbij ook de mineralen kalium en magnesium van belang. Voldoende calcium en vitamine D blijken vooral heel belangrijk voor de aanmaak van sterke botten tijdens de groei.

Onze botten zijn het sterkst als we ongeveer 35 jaar oud zijn en daarna worden ze geleidelijk aan brozer.

Bij vrouwen wordt dat proces versneld na de overgang, doordat voor die tijd vrouwelijke geslachtshormonen helpen botter sterk te houden. Er zijn dan ook meer oudere vrouwen dan mannen die last hebben van
osteoporose.

Zoals bekend van de melkreclame bevat zuivel veel calcium. Het zit ook in groenten, bonen, vis en noten, maar daar eten Nederlanders jammer genoeg niet zo veel van.

Om 1,2 gram calcium per dag binnen te krijgen zou je bijvoorbeeld vijf à zes glazen melk per dag moeten drinken. Veel (oudere) mensen krijgen onvoldoende calcium binnen en slikken daarom, vaak op advies van de dokter, kalktabletten (calciumsupplementen). Met of zonder vitamine D.

Sommige onderzoeken laten zien dat bij mensen die ouder zijn dan vijftig kalktabletten inderdaad het risico op botbreuken enigszins kunnen verlagen, maar andere spreken dat weer tegen. De gebruikers van kalktabletten kunnen er ook nadelige effecten van ondervinden.

Het slikken ervan hangt namelijk samen met een verhoogd risico op hartinfarcten, beroerten, nierstenen en maag-darmklachten. De overmaat aan calcium kan in de wand van de bloedvaten gaan zitten. Je kunt er dus letterlijk aderverkalking van krijgen. Veel calcium in het bloed kan ook kristallen vormen, vandaar het verhoogde risico op nierstenen.

Op latere leeftijd verlaagt een hoge inname van calciumrijke voedingsmiddelen het risico op botbreuken niet. Voorkomen dat je op oudere leeftijd makkelijk een heup breekt kun je daarom het beste doen door als je nog jong bent gezond te eten. Decennia later nog de gevolgen van een onvolwaardige voeding proberen te repareren met pillen lijkt in elk geval niet verstandig.

Krijg ik te weinig jodium binnen?

Sinds kort waarschuwt het Voedingscentrum voor een te lage jodiuminname als mensen weinig brood gaan eten. Een hoop mensen doen dat om allerlei uiteenlopende redenen en vragen zich nu af of zij een jodiumtekort hebben en of dat erg is.

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu rapporteerde begin oktober dat de jodiuminname in de periode 2006-2015 met 37 procent was teruggelopen bij mannen en met 33 procent bij vrouwen. Zeker reden tot enige zorg. Geschat wordt dat ruim een derde van de Nederlandse bevolking een (mild) jodiumtekort heeft.

Jodium hebben we nodig voor een goed werkende schildklier. De schildklier is een belangrijke regelaar van onze stofwisseling en hormoonhuishouding. Bij een jodiumtekort wordt de schildklier groter om toch maar genoeg schildklierhormoon aan te kunnen maken. Dat kun je aan de buitenkant zien doordat een zwelling in de hals zichtbaar wordt. Dat wordt krop of struma genoemd.

Jodium komt van nature voor in zuivel, zeevis, zeewier en eieren, maar Nederlanders kregen er lang te weinig van binnen. Struma kwam veel voor, vooral in het oosten van het land (ver van de zee), maar nu veel minder vaak. Een groot jodiumtekort tijdens de zwangerschap kan ernstige gevolgen hebben voor de mentale ontwikkeling van het kind. De aanbevolen hoeveelheid jodium is dan ook verhoogd bij zwangerschap.

Omdat Nederlanders veel brood eten en er veel zout in brood zit, besloot de Nederlandse overheid in 1942 dat broodzout verplicht verrijkt moest worden met jodium (70-85 mg jodium per kilo zout). Sinds 2009 is broodzout vervangen door bakkerszout (met minder jodium: 50-65 mg per kilo zout). Je moet nu zes boterhammen per dag eten om voldoende jodium binnen te krijgen. 

Maar daarmee krijg je ook 2 tot 2,5 gram zout binnen. En een hoge zoutinname verhoogt de bloeddruk. Niet al het brood wordt overigens bereid met bakkerszout. Biologische bakkers en mensen die zelf brood bakken gebruiken lang niet altijd gejodeerd zout. Zeezout bevat weinig of geen jodium. Nederlanders eten steeds minder brood en gebruiken meer zeezout en dat verklaart de afname in jodiumconsumptie.

Ernstige jodiumtekorten komen hier niet veel voor, maar het is goed na te gaan of je voldoende brood (met bakkerszout), vis, zuivel en eieren eet. Vooral als je zwanger bent. Probeer zo nu en dan eens zeewier. En ga bij een zwelling in de hals even naar de huisarts.