live

Klein geluk in Amsterdam: Sonny Rollins is hij niet

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Sonny Rollins is hij niet

    In de Spiegelstraat gaat het snel bergafwaarts. Was het tot voor kort een straat vol mooie antiekwinkels en ­galerieën, nu worden er hamburgers verkocht en namaakkunst in ­namaak gouden lijsten. ‘This is not a gallery,’ staat er op The Public House of Art, een duidelijk gevalletje van ‘eigen mannen zeggen het’.

    In de etalage van de buurman staat een enorme afdruk van de ­foto waarop Sophia Loren tijdens een etentje schuins in het decolleté van Jayne Mansfield zit te ­loeren. Ik word altijd vrolijk als ik de foto zie en ik ben niet de enige.

    De ene toerist na de andere houdt de pas in om zich breed grijnzend voor de foto te laten fotograferen, waarna ze hun weg vervolgen.

    Ik voeg me in de stroom, en loop mee in de richting van het Rijksmuseum. In de passage onder het museum klinkt een strijkkwartet.

    Een man blaast op een saxofoon, maar Sonny Rollins is hij niet. Aan de andere kant wachten de letters die tezamen Iamsterdam vormen en om de een of andere reden zijn uitgegroeid tot een van de grote attracties van de stad.

    Terwijl ik het plein oversteek, denk ik aan de keer dat het ­gerucht door de stad ging dat de duizenden narcissen op het plein geplukt mochten worden. Wat toen ook gebeurde. In drie tellen was het hele grasveld kaal.

    In de Van Baerlestraat ga ik naar binnen bij boekhandel Premsela, sinds een maand failliet. “En?” zeg ik tegen Sander die bij de kassa zit. “We gaan door,” zegt hij. “Ik was vanmorgen bij de curator om te ­tekenen. Ik ga nog in zaken op mijn oude dag.” Zelden zal mijn blijdschap zo groot zijn geweest.

  2. De stenige geur van gravel

    Ik houd van de geur van ­gravelbanen in de morgen. De tennisbanen van mijn jeugd lagen aan de Zuidelijke Wandelweg. Vanuit de Bos en Lommer was dat een heel eind fietsen.

    Eerst de eindeloze Hoofdweg af, waar de zon altijd leek te schijnen, dan om het Surinameplein heen en de Overtoomse Sluis over. Aan de andere kant van het ­water stond een kerk, die later plaats moest maken voor Autopon, dat in Volkswagens deed. Een eindje verder op de Amstelveenseweg was een manege waar het op woensdagmiddag druk was met paarden en kinderen.

    Als mijn moeder me bracht, en dat deed ze in het begin, vroeg ze altijd of ik niet op paardrijden zou willen. Dat wilde ik niet. “Maar waarom niet? Lijken die kinderen je niet leuk?” Nee, die kinderen leken me niet leuk.

    Tenniskinderen waren al erg genoeg. Ze vroegen je wel waar je woonde, maar als jij zei dat de Esmoreitstraat in west was, hadden ze meteen geen belangstelling meer.

    Toen ik alleen naar de tennisbaan mocht, ging ik, als ik niet naar school hoefde, vaak vroeg in de ochtend. Het was dan stil op de Wandelweg. De voetbalvelden ­lagen er verlaten bij, maar op de tennisparken werd altijd ­gespeeld.

    Op het pad dat door het struikgewas naar ons clubhuis liep, hoorde ik het zachte geplof van de ballen en kikkergekwaak daar doorheen. Als het ’s nachts had geregend of als er ’s morgens dauw had gelegen, rook je de stenige geur van het gravel, een geur zo rood als de banen, waarop vaak honderden kleine kikkertjes liepen.

    Op weg naar hun boerensloot.

  3. Iedere beweging van de flamingo's

    Ik liep langs de Artis en al ­lopend keek ik naar de mensen die door de Artis liepen. Ze hadden hun ronde ­gemaakt, van de apen, naar de leeuwen, langs de olifanten en ­giraffen, naar de zeeleeuwen en de pinguïns, en nu waren ze, hoewel ze nog lekker door de Artis liepen, op weg naar de uitgang.

    Bij de flamingo’s hield ik mijn pas in en keek. Naast me zat een man op zijn fiets. Hij keek ook. Met gretigheid dronk hij iedere beweging van de flamingo’s in. ­Tegen zijn kijken kon het mijne niet op.

    Ik liep door. Naar de ­Plantage waar je naar de lepelaars kunt ­kijken. De meeste lepelaars stonden op hun eiland op een kluitje bij elkaar. Een stuk of drie zaten te broeden op een door mensenhanden gemaakt nest in een knotwilg. Drie anderen liepen te snavelen in het ondiepe water dat hun eiland omringt.

    Behalve lepelaars liepen er kemphanen, patrijzen, een ­kievit, een paar kluten, twee ooievaars. Aan mijn kant van het hek was een fontein die op gezette tijden water spoot. Ik heb een tijd staan kijken en liep toen zonder om te kijken weg.

    Als je de Artis binnenkomt, ­herinnerde ik me, bekijk je ieder dier en alleen al de aanblik van olifanten in de verte vervult je van ­opwinding. Als je niet de ronde maakt, maar dezelfde weg terugneemt, keur je dezelfde olifanten geen blik waardig.

    Door de Roeterstraat liep ik naar de Sarphatistraat en daar, vlak voor de hoek met de Weesperstraat zag ik vijf struikelstenen ­oplichten in de zon.

    Ik boog me diep en las hun namen, Abraham Morpurgo, zijn vrouw Rachel en hun kinderen, Jacob, Vogelina en Carla.

    Vermoord maar niet vergeten.

  4. Als kleine parapluutjes

    In de herfst van anderhalf jaar geleden liep ik langs de Amstel en de Hermitage. Na een korte aarzeling, ik durf het haast niet te zeggen, maar ik heb het niet zo op de Hermitage met al dat tsarengedoe en hun ­eieren van Fabergé, ging ik de poort door en betrad de binnenplaats. Waar het stil was en twee grote kastanjes stonden. Op het gras lagen ze bij tientallen en ik vulde mijn zakken.

    Een al wat oudere dame zag het glimlachend aan en raapte er ook een op. “In een bloempot stoppen,” zei ik, “en volgend jaar hebt u een kastanjeboompje.” ‘De ­dame glom als de kastanje in haar hand,’ noteerde ik.

    Wat ik me afvraag, is of ze mijn advies heeft opgevolgd. De meeste mensen houden niet zo van ­advies. Ik ken iemand die ik ruim vijfenveertig jaar geleden mijn ­lievelingsboek heb gegeven. Dat ze nog steeds niet heeft gelezen.

    Zoals ik zelf jarenlang het advies van Karel van het Reve om Sanders of the river van Edgar Wallace te lezen in de wind heb geslagen. Volkomen ten onrechte, want toen ik het eindelijk las, bleek het een meesterwerk, schandelijk, maar een meesterwerk.

    Als de dame mijn kastanjeadvies heeft opgevolgd, kijkt ze nu, net als ik, naar het wonder van een ontluikende kastanjeboom.

    Had ze vorig jaar in haar virtuele bloempot nog een slap rood stengeltje, waar een kleine groene kroon op groeide, nu is er een stam en het glimmende bruin van de vette volle knop is opengebarsten om een bleke sigaar te onthullen die zich langzaam ontrolt tot generfde bladeren die teergroen hangen en dan als kleine ­parapluutjes worden opgestoken. Geen groen zo groen als jong kastanjegroen.

  5. De Berlasjeebrug en de Bwie Baloo

    Als vrienden weet je vaak opmerkelijk weinig van elkaar. Je ziet elkaar ­iedere week, al ik weet niet hoe lang, je gaat wel eens ­samen uit eten en vijftig jaar geleden of daar omtrent ben je zelfs een keer met zijn vieren op vakantie geweest.

    Als je je een beetje ­verveelt, zeg je: “Wat bewaren de Romeinen in hun donkere wouden?” en prompt klinkt dan: “Het stilzwijgen,” waarna het meteen weer pret is.

    Maar hoe zij elkaar hebben leren kennen, weet ik niet. Nooit naar gevraagd, terwijl de manier waarop geliefden elkaar ontmoeten ­altijd een verhaal is, zie het vers No, No, Nanette van K. Schippers:

    ‘Tea for two heeft voor de oorlog/ iets voor mijn vader gedaan./ En ook voor mij./ Hij liep langzaam/ om het langer uit een huis/ te kunnen horen/ en miste zo lijn 2./ In de volgende zat mijn moeder.’

    De ouders van Yvonne Wassenaar, die ik nooit ontmoet heb, maar die me een brief heeft ­geschreven, waren dolverliefd toen ze op een middag door ­Amsterdam Zuid dwaalden en aangesproken werden door een voorbijganger die vroeg:

    “Kunt Uumij wellicht vertellen waar de ­Berlasjeebrug is?”
    “O wel zeker,” zei haar vader deftig, “dan volgt u hier de ­Amstelkade, dan rechts af en daar ziet u dan de Berlasjeebrug.”

    Bij Yvonne Wassenaar thuis heet de brug in kwestie nog altijd de Berlasjeebrug. Of ze de Koper Nikusstraat kende en de Watte Au, vroeg ik haar per kerende post.

    Die kende ze. ‘En ook de Bwie Baloo,’ schreef ze, ‘en de verwarring bij de buschauffeur bij de vraag naar de Krehem Bellstraat. “O, Gra Ham Bel, dat is de volgende halte, dame.”’

  6. Stralende slingeringen

    Sinds ik in een parkeergarage een keer met een boksbeugel ben bedreigd door een filmregisseur, wie het was, zeg ik niet, maar hij heette Lars von Trier, kom ik niet graag in parkeergarages.

    Maar ik zie ze graag. Als ik tussen Elandsgracht en Kinkerstraat de Kinkerbrug oversteek, kijk ik altijd met veel plezier naar de stralende slingeringen van de parkeergarage aan de Singelgracht, prachtig!

    Achter de nieuwe RAI, vlakbij de plaats waar Rem Koolhaas het op de prominente reclamezuil ‘het Signaal’ geïnspireerde nowh ­Amsterdam RAI Hotel aan het bouwen is, trof ik een parkeergarage die net zo wervelt als die aan de Singelgracht, schitterend!

    Niet veel later stuitte ik op Kippenfarm Rondeel, waarvandaan een pad liep naar het Orion College, speciaal in onderwijs.

    “Kom je iets leren?” zei de man die voor de deur stond.
    “Ik ben uitgeleerd,” zei ik.
    “Rondom bevoegd,” zei hij.
    “Dat niet,” zei ik, “maar vol.”
    “Heb je een vrije dag?” zei hij.
    “Ik heb iedere dag een vrije dag,” zei ik.
    “Lekker,” zei hij, “ik moet nog drie jaar.”

    Toen ik mijn weg vervolgde, bleek de straat die me op de Zuidelijke Wandelweg moest brengen dood te lopen op een bouwput. Grenzen in de stad, ze komen in soorten en maten, taalgrenzen, kleurgrenzen, inkomensgrenzen, spoordijken, geluidswallen, snelwegen, vaarten, en bouwputten dus.

    Onlangs stak ik bij de Transvaalkade de brug over naar de ­Watergraafsmeer. Ik wist niet wat ik zag, zoveel lager als de Watergraafsmeer ligt dan de rest van de stad.

    Het hoogteverschil is zo groot dat je een trap moet nemen om beneden te komen. Vanuit de diepte keek ik naar de Ringvaart hoog boven me. Ik kon het niet ­geloven.

  7. Een ijsje in de Jodenbree

    Een straat is een straat is een straat. Geen speld tussen te krijgen, lijkt het, maar bij nadere ­beschouwing is het vaak ingewikkelder dan je dacht.

    Wat is bijvoorbeeld de naam van de straat in kwestie? Als je door de Jan Maijenstraat loopt, loop je dan in de Jan Maijenstraat of in de Jan Mayenstraat?

    Het naambordje in deze voor elck wat wilsstraat spelt de naam aan de ene kant van de straat anders dan het naambordje aan de andere kant dat doet.

    En waarom heet het enorme plein voor het bakstenen fort van de Jeruzalemkerk Jan Mayen- of Jan Maijenstraat, terwijl het ­Krugerplein bijvoorbeeld overduidelijk een straat is?

    En dan heb je nog de vraag hoe wij een straat believen te noemen. Als mijn moeder wilde dat ik naar de Bos en Lommerweg ging om bij Stam een ons Drosteflikken te ­kopen, zei ze: “Guusje, ga jij voor mama even naar de Bos en Lommer voor een onsje Droste flikken bij Stam?”

    Niemand zegt dat hij gaat flaneren in de Leidse of winkelen in de Kalver, maar je eet wel een ijsje in de Jodenbree. En de Nieuwezijds Voorburgwal heet de Nieuwezijds.

    Het is heel raadselachtig allemaal. Maar een straat is een straat is een straat. Behalve als in je ­eigen straat de prunusbomen bloeien, aan de straatkant en in de binnentuin. Dan kan je bijvoorbeeld zien hoe een al wat oudere man op het bureau in zijn werkkamer klimt en de ramen opent om vervolgens met een schaar een tak van de prunus te knippen die hij dan in de huiskamer in een vaas zet, een kleine roze wolk tussen de wolken roze voor en achter het huis.

  8. Het meisje achter de bestuurder

    De jonge vrouw die vaak nog een meisje was en in de tram vlak achter de bestuurder stond, was meestal een beetje bleek en dik en kwam soms wat moeilijk uit haar woorden.

    De bestuurder van de tram had er nooit moeite mee. Hij luisterde, beantwoordde alle vragen en bestuurde ondertussen de tram. Je kon zien dat het niet de eerste keer was dat ze achter hem stond en dat er zekere intimiteit tussen de twee bestond. Hij reisde met haar mee als de buffel met zijn witte reiger.

    Trambestuurders zijn wel wat gewend. Denk aan de mannen met hun fototoestellen die op alle kruispunten hun lange lenzen op de tram richten om alles voor alle eeuwigheid in al zijn details vast te leggen.

    Piloten in hun vliegtuig zien hun spotters niet, maar trambestuurders zijn zich er voortdurend van bewust dat ze in de gaten worden gehouden. De jonge vrouw die of het meisje dat vlak achter hen staat, hoort daarbij.

    Hoorde daarbij moet ik zeggen. Want ik zie ze bijna niet meer, die jonge vrouwen of meisjes die niet zozeer met de tram als wel met de bestuurder mee reizen. Wel stond er van de week de mannelijke variant van het meisje dat achter de bestuurder stond achter de ­bestuurder.

    Hij keek heel zelfbewust uit zijn ogen en blokkeerde het incheck-apparaat. “Jongeman,” zei een wat oudere vrouw, “kan je iets ­opzij gaan, dan kan ik inchecken.” “Jongeman?” zei hij, “zei u jongeman? Ik ben geen jongeman, kunt u niet zien, dat ik een man ben?”

    “Die mevrouw denkt dat ik een jongeman ben,” zei hij tegen mij. “Maar ik ben geen jongeman, ik ben een man.”

    De volgende halte stapte hij uit. Een boze jongeman.

  9. De battle van de merels

    In de Valeriusstraat begon een merel te zingen, zoals merels dat kunnen in april en mei. Sprakeloos stond ik te luisteren toen de zang van een tweede merel klonk en de merels zo de stiltes in elkaar zang vulden met merelgezang.

    Ik dacht aan het eerste gedicht dat ik als gedicht heb ervaren, een gedicht van Jan Hanlo: ‘Het was halfvijf ’s morgens in april/ Ik liep en floot de St. Louis blues/ Maar ik floot die op mijn eigen wijze/ Al fluitend dacht ik: mocht mijn fluiten gelijken/ op de zang van de grote lijster/ En waarlijk, na enige tijd geleek mijn/ fluiten van de St. Louis blues/ Op de zang van de grote lijster:/ turdus viscivorus.’

    De battle van de merels ging voort, maar ik was in de Ode aan de Nieuwezijds-Voorburgwal van Hanny Michaelis beland die zo eindigt: ‘Auto’s en trams stoven elkaar luidruchtig/ en opgewekt voorbij. Ergens begon een vogel, die niet langer zwijgen kon,/ zijn lied. Ik voelde mij als schuim zo luchtig,// het leven woei mij als een zaadpluis mee,/ totdat het op een nieuw geluk mij entte,/ gevoed door het bestaan van deze twee: de Nieuwezijds-Voorburgwal en de Lente.’

    Een groot dichter, Hanny Michaelis, als kind al, zo blijkt uit Verst verleden, haar door Nop Maas genoteerde jeugdherinneringen. Als kleuter dichtte ze ‘En achter de deur/ stond een hele grote chauffeur.’ Dat is niet mis.

    Haar oudst bewaard gebleven vers Zomerlied uit 1931, ze was toen 9, eindigt met de regels ‘Tintelende sterren/ Bleek zilvre maan/ Geurende bloemen/ Wapperende vaan.’ “Ik wist geen ander rijmwoord op ‘maan’,” zei ze zeventig jaar later.

    In een vers over een prinses die in een toren op haar prins wacht, had ze soortgelijke problemen en toen schreef ze: ‘Ze staarde in de verte/ En zag slechts zeven herten’.

  10. De 17 die mijn geliefde brengt

    Iedere woensdagmorgen om negen uur ging ik naar het huis van onze dochter om op onze kleindochter te passen. Als mijn vrouw belde om te zeggen dat ze zich bij ons kwam voegen, zette ik de kleine in een wandelwagentje en liep met haar naar de tramhalte, waar we de komst van haar grootmoeder afwachtten.

    Iedere tram die op de halte kwam, werd door ons uitgebreid bestudeerd. Zit ze er in of zit ze er niet in, dat was de vraag. Zat ze er niet in dan was de teleurstelling groot, maar als ik beloofde dat ze in de volgende tram zou zitten, was het weer goed.

    Als ze daadwerkelijk uitstapte, grensde de vreugde aan euforie. Geen kind ooit was zo dol op haar grootmoeder als zij, behalve ik dan, zoals mijn geliefde fijntjes opmerkte.

    Deze woensdag sta ik bij het Centraal Station gespannen op de 17 te wachten, waarin mijn geliefde zitten kan, maar waar ze ook niet in kan zitten.

    In de pauze tussen trams houd ik de gang van zaken beneden aan het water in de gaten. De toeristen staan in lange rijen geduldig te wachten tot ze op de rondvaartboot mogen stappen die ze een uurtje door de grachten voeren zal. Er is geen gids meer aan boord, maar ik zie wel een ­microfoon.

    Hoe zouden ze ‘de bijl’, het slotwoord waar je de aap van de fooi uit de mouw laat komen, tegenwoordig aanpakken, vraag ik me af.

    Ik wil het net gaan vragen als de 17 stopt die mijn geliefde brengt. De stationsklok wijst kwart over twee. Over drie kwartier weten we naar welke middelbare school ­onze kleindochter gaat.