live

Klein geluk in Amsterdam: Zo'n heerlijk voorspelbaar ritueel

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Zo'n heerlijk voorspelbaar ritueel

    Op weg naar ramsjwinkel Steven Sterk kwam ik langs Shoebaloo in de Leidsestraat, de schoenenwinkel waar in de ­jaren zestig mijn toenmalige vriendin haar schoenen kocht. De winkel heette toen nog geen Shoebaloo, ze zagen je aankomen, maar De Lange meen ik.

    Met je vriendin schoenen kopen is geen pretje, maar met haar deed ik het graag en wel omdat het zo’n heerlijk voorspelbaar ritueel was. “Welke maat heb je?” zei de ­schoenenverkoopster, waarop de schoenenkoopster antwoordde met: “37 1/2.” “Heb je niet 38?” zei ik. “Ik zal toch zeker weten welke maat ik heb?” zei zij dan met een stem waarin irritatie doorklonk.

    “Ze passen precies,” zei ze als ze een paar schoenen had gevonden die haar bevielen. “Precies mijn maat. 37 1/2. Net wat ik zei.”

    “Zou je toch niet een half maatje groter proberen,” treiterde ik nog, maar nee, dat was niet nodig, waarop we tevreden huiswaarts gingen, zij het dat zij het om een andere ­reden was dan ik.

    En ­­’s avonds de kroeg in, zij op haar nieuwe schoenen. Die zoals altijd, zoals ik wist, een maat te klein ­waren. ­­Als het echt niet meer ging, ­deden we pispotje en droegen mijn vriend en ik haar naar het volgende café. Bij haar dood liet ze kasten vol te klein gekochte schoenen achter.

    Steven Sterk had geadverteerd met Leven met Reve: het onmogelijke huwelijk van Gerard Reve en Hanny Michaelis van Ad Fransen, en dat wilde ik hebben. Sinds haar dagboeken wil ik alles van ­Michaelis. Maar eenmaal ter plaatse bleek Steven Sterk op­geheven en te huur. “Ze hebben ­geeneens uitverkoop gehouden,” klaagde mijn geliefde.

  2. Die dooie huizenblokken

    Van alle hooggeplaatsten in mijn vriendenkring, voorzitters, dijkgraven, eindredacteuren, is de Groot Moefti wel de hoogstgeplaatste.

    De Groot Moefti is Groot Moefti van Amsterdam Noord en tevens onder het pseudoniem Jan Donkers schrijver van het standaardwerk over Amsterdam Noord, Zo dicht bij Amsterdam, een boek dat om de paar jaar met een nieuw hoofdstuk uitgebreid, herdrukt wordt.

    Ook vermeldenswaardig is dat de Groot Moefti, die jarenlang ­gedreigd heeft het Centraal Station middels een bomgordel tot ontploffing te brengen, sinds een ritje door het fietstunneltje onder het CS geheel om is. “Van mij mag het Centraal Station blijven,” verklaarde hij onlangs.

    Een hele opluchting.

    Enkele weken geleden leidde de GM een paar Amerikanen door de stad. Op de pont over het IJ wees hij hen op het Eye gebouw, wat ze prachtig vonden en daarna zei hij: “En die huizen in pasteltinten daar zijn van Rem Koolhaas.”

    Verbijstering alom. Dat kon niet waar zijn, die dooie huizenblokken, Koolhaas, nee, de Moefti maakte een grapje zeker?

    Na raadpleging van Google raakten ze in een architectonische depressie die tot in de kleine uurtjes duurde. Hoe anders was mijn­ ­reactie toen ik een paar jaar geleden ontdekte dat het Frans Otten Stadion dat uitkijkt op onze tennisactiviteiten van Rem Koolhaas is.

    Ik had het altijd een tamelijk lelijk gebouw gevonden, een ongeïnspireerde doos met lelijke betonnen uitlopers, maar ineens zag ik de schoonheid van het gebouw, hoe het landschap zich voegde naar de kracht van de architectuur, hoe alles samenvloeide en het geheel oneindig veel meer werd dan de som der delen.

    Daarbij komt dat ik onder de ogen van zo’n gebouw niet durf te verliezen, dus ik win altijd.

  3. Nu eerst een stukje eten

    Met een huis vol kinderen keken we tijdens de dodenherdenking naar de twee minuten stilte. Vreemd, dacht ik, kijken naar de stilte. Stilte is toch onzichtbaar, net als de tijd, de wind, de snelheid van het licht.

    Max Pam schreef dat de twee ­minuten stilte van de dodenherdenking vroeger werden aangekondigd doordat de straatlantarens gingen branden. Dat was ik vergeten, maar zo was het. Iedereen stond voor het raam of op het balkon op het teken te wachten. En dan werd het stil. Toen al ­keken we naar de stilte.

    Wat ik niet vergeten ben, was de merelzang die je hoorde. Merels klonken nooit helderder en melodieuzer dan tijdens die twee minuten stilte.

    Wat ik weer wel vergeten was, is dat je vroeger af en toe nieuwe veters in je schoenen deed. En dat mensen een stukje gingen eten: ‘Zo, nu gaan we eerst een stukje eten.’ Ik geloof niet dat er nog ­iemand is die dat zegt. Een glaasje drinken, hoor je nog wel.

    Ik zeg af en toe ‘boekje tonen’. Ik doe dat als eerbetoon aan de in 1969 overleden dichter Jan Hanlo die ik de jaren voor zijn dood ­regelmatig heb ontmoet.

    Hanlo was een wonderlijke man. Hij hield van motorfietsen, Vincents, kon op rijm middeleeuws spreken en droeg op feestjes vaak een gasmasker. Tijdens de Wereldtentoonstelling bij de moderne boekwinkel Bas in de Leidsestraat, in 1964 meen ik, waar de wereld tentoon werd gesteld, hield Hanlo een toespraakje, waarin hij een boekje liet zien dat bij de tentoonstelling was verschenen.

    Maar hij liet het boekje niet alleen zien, hij zei het ook. Van het papier waarop zijn toespraak stond geschreven, las hij voor wat hij deed: ‘Boekje tonen.’

  4. Sprekend Hanneke Groenteman

    ‘Wake me up when I’m famous,’ staat op de gevel van een huis in de Frans Halsstraat. Twee meisjes stonden er giechelend een selfie te maken.

    Laatst zag ik een man die een selfie maakte voor een affiche van Carré met de woorden ‘Paul in Carré’. Maar Paul de Leeuw was de man niet, dus waarom maakte hij een selfie? Ineens wist ik het. Hij heette Paul.

    Tevreden fietste ik door naar de kapper, waar alle stoelen bezet waren. Toen de vrouw die voor mij was aan de beurt was, bleek ik aan de beurt. Zij was hier om haar zoon bij te staan.

    Ik nam plaats in de stoel van Alies uit Almelo die tijdens het knippen vaak zo gezellig met me praat. Alies keek me even onderzoekend aan en vervolgde toen haar gesprek met de moeder die haar zoon bijstond.

    “Het is wel kort,” zei Alies, “maar het staat je goed. En dat het zo kort geknipt is, komt natuurlijk doordat je de kapster niks gezegd hebt. Als je niks zegt, kan je net zo goed ‘Knip maar kaal’ zeggen. Maar het staat je goed.”

    Nadat de vrouw met haar zoon was vertrokken, keek Alies me nog een keer via de spiegel aan en zei toen dat ik sprekend leek op de man die wel eens een stukje over haar in de krant schreef. “Ik heb hem een keer gegoogled en u lijkt sprekend op hem.” “Ik beken,” zei ik.

    Op straat kwam ik Hanneke Groenteman tegen aan wie ik mijn verhaal vertelde. “Mensen zeggen vaak tegen me dat ik sprekend op Hanneke Groenteman lijk,” zei ze. “En dan zeg ik: ‘Ja, dat hoor ik wel vaker.’”

  5. Ze had nog de hele dag

    De enkele keer dat ik vroeg de deur uitga, verbaas ik me altijd over de activiteiten die al gaande zijn.

    De fietspaden zijn vol fietsers, de bakkers in hun ­witte werkkleding pauzeren voor de bakkerij met een beker koffie en een broodje, kappers knippen en de bloemenwinkel die tevens een galerie is met aan zijn wanden bloemstillevens en stadsgezichten, heeft de bloemen buiten gezet. Of je in een parallel universum terecht bent gekomen.

    Ik zit in de tram en kijk naar de jonge vrouw aan de andere kant van het gangpad. Ze draagt een uniform met daaronder schoenen die zo glimmend zijn gepoetst als alleen uniformdragers schoenen poetsen kunnen. Ze ziet eruit ­zoals ik me in de vroege morgen vaak voelde, vroeger.

    Dit als gevolg van de voorbije nacht, waarin het ene glas het andere uithaalde en het ene café als vanzelfsprekend naar het volgende had ­geleid. Ik hield van de stilte die voorafging aan het moment dat het ­leven in de stad hervat werd.

    De plotselinge vuilniswagen, een rolluik dat rammelend omhoog ging, de zon die door de wolken brak en de overkapping van het Centraal Station verlichtte.

    De jonge vrouw had een vreselijke kater. Hij stond haar goed en ze had nog de hele dag om ermee te leren leven.

    Toen ik die avond met de laatste tram naar huis reed, zaten er naast mij twee jongetjes die allebei een klein voorwerp in hun hand hielden, een soort rad, dat ze konden laten draaien en dat dan strepen licht liet zien. “Wat is dat voor ding?” zei ik.

    “Een spinner,” zei
    de ene jongen. “Alstublieft,” zei de andere, terwijl hij mij zijn ­ma­sjientje overhandigde, “die is voor u.”

    Even later liep ik spinnend door de nacht.

  6. Wat precies is een pleintje?

    Met enige regelmaat begin ik kleine verzamelingen. Zo spaar ik sinds een jaar of twee platgereden en bij voorkeur roestige kroonkurken van bierflesjes. Ik heb ze van Amstel en Heineken, van Jupiler, Texels, Grolsch, Argus en van merken die ik door de roest niet kan ontcijferen.

    Het aardige van de verzameling is dat hij de blik omlaag dwingt, waar zoals je al snel merkt veel te zien is.

    De schoonheid van putdeksels is vaak bezongen, maar het is toch anders als je ze in hun natuurlijke omgeving bekijkt in plaats van op een foto. Je vindt spijkers en schroeven en af en toe een platgewalste kroonkurk voor de verzameling, heerlijk ogenblik.

    Naast kroonkurken verzamel ik naamloze pleintjes. Wat niet eenvoudig is, want wat precies is een pleintje en wanneer is het naamloos?

    De straat die je van de J.M. Coenenstraat naar de Harmoniehof voert, brengt je bij een piepklein en driehoekig parkje, waar het voor jeugdige geliefden goed toeven is.

    Vanaf het bankje dat zij vrijwel permanent bezet houden, kijk je op een alleraardigst pleintje. Straat, parkje en pleintje heten Harmoniehof wat volgens mij een beetje veel van het goede is, maar of het pleintje in mijn verzameling hoort, ik ben er nog niet uit.

    Mijn derde recent begonnen verzameling betreft foto’s die je aantreft op de plaats die op de foto te zien is. De foto van de haringkar op het Haarlemmerplein die in de haringkar hangt, is een mooi, maar niet helemaal juist voorbeeld.

    De foto van de Gerard Doustraat gezien vanaf de hoek van de Ruysdaelkade 105, waar rock- en bluesgitarenwinkel de Plug zetelt, is niet mooier maar wel een beter voorbeeld. Hij hangt op 8b in de etalage.

  7. Ze snijden door de lucht

    Ze zijn terug, ze zijn terug. Ze scheren weer over de daken en jagen weer hoog door de straten, ze snijden door de lucht en schreeuwen, maar het is niet hun naam.

    Dit is het moment om in een niet al te goed opgeknapte negentiende eeuwse buurt, in Pijp, Kinkerbuurt of Helmerskwartier een beetje slordige straat op te zoeken en daar een goede uitkijkpost te kiezen om vanaf de grond het schouwspel in den hoge in de ­gaten te houden.

    Negenduizend kilometer gevlogen om terug te keren op een nest in de Nicolaas Beetsstraat of het Bellamypleintje, een paar dagen bijkomen en dan weer aan de slag. Want er moeten eieren worden ­gelegd en uitgebroed en jongen grootgebracht.

    In de negentien uur per dag dat er gevlogen wordt, moeten honderdduizenden insecten gevangen worden.

    De gierzwaluwen vliegt in groepen, en binnen de groep in paartjes, die elkaar in duettoon beschreeuwen, een heerlijk geluid, dat net zo bij de stad hoort als het bellen van de tram.

    Gierzwaluwen lijken altijd ver weg. Zelfs als ik op vier hoog op mijn balkonnetje in de Bosboom Toussaintstraat stond, leken de gierzwaluwen ver bij me vandaan. En als er een vlak langs me vloog, deed hij dat zo snel dat ik hem niet beter zag dan vanuit de verte.

    Tijdens een dodenherdenking op de Apollolaan zag ik eens een gierzwaluw uit de lucht vallen. Gierzwaluw op de stoep, vlak voor mijn voeten. Maar toen ik hem wilde pakken, vloog hij op en landde in een boom.

    De Franse dichter René Char schreef een gedicht over de gierzwaluw dat zo begint: ‘Gierzwaluw met te grote vleugels, die zijn vreugde/ zwenkt en krijst rondom het huis, zo is het hart.’

  8. De Kalverstraat op Koninginnedag

    Iedere keer als ik de stad in ga, lijkt het drukker geworden. Meer en grotere groepen worden rondgeleid door gidsen met steeds langere stokken waaraan grote vlaggen wapperen, steeds meer jongelui stuntelen op gehuurde fietsen over de fietspaden, waarop steeds meer mensen maar een potje raak lopen.

    Mijn ogen zitten van voren en van ­achteren, bellen helpt niet en je hebt al je stuurmanskunst nodig om zonder schade aan fiets of toerist door de menigte heen te manoeuvreren.

    Het is iedere dag ‘zo druk als de Kalverstraat op Koninginnedag’, zoals de uitdrukking eens luidde.

    Als de uitdrukking werd gebruikt, volgde altijd het verhaal over het zogenaamde ‘burgemeesteren’, een geheimzinnig ritueel, waarbij een grote groep meiden een jongeman insloot die een paar tellen ­later poedelnaakt op straat stond: koninginnedag, dat je hossen mag!

    Ik had een vriendin die geen ­‘koninginnedag’ kon zeggen. ­“Jelka, zeg eens koning.” ­“Koning,” zei Jelka. “Jelka, zeg eens ‘koningin’. “Koninging,” zei Jelka en zo werd koninginnedag tot koningingedag.

    Jelka was knap, brutaal en zat op hockey. Niet bij de Steekneuzen, “ben je mal”, maar gewoon bij AMVJ, in het Bosplan.

    Jelka had altijd een groepje aanbidders om zich heen en tegen mij zei ze vaak dat ik nodig eens iets aan mijn ­‘vocabulère’ moest doen.

    Toen we van school waren, heb ik haar nog twee keer gezien. De eerste keer was ze op weg naar ­Jeruzalem waar ze iets ging doceren. De tweede keer was in café het Hooischip aan de Amstel.

    Ze ­herkende me aan mijn stem. Ik herkende haar omdat ze mij ­herkende. “Jelka,” zei ik, “zeg eens ‘koningin’.” “Koninging,” zei ­Jelka.

  9. Urenlang monopoliën

    Tijdens de meivakantie hebben we in wisselende samenstellingen steeds een stuk of drie, vier kinderen over de vloer gehad, jongens en meisjes, zo tussen de zes en de twaalf.

    Om de een of ­andere reden dacht ik dat kinderen vandaag de dag de hele dag op hun telefoon zaten te kijken en nauwelijks een woord met elkaar wisselden, maar niets bleek minder waar. Ze zaten gewoon urenlang te monopoliën of te hartenjagen en over de spelletjes te hakkentakken, heel herkenbaar allemaal.

    Af en toe kwam een moeder er een halen of brengen en dan hoorde je nog eens wat, want, dat moet gezegd, over hun privéleven ­waren de kinderen niet erg mededeelzaam.

    De moeder van Manuel (11) vertelde over hun verhuizing van de Jordaan naar Nieuwendam en over de eerste keer dat ze haar zoon na de verhuizing van school kwam halen, zijn oude school in de Jordaan. Maar al wie er uit school kwam, geen Manuel, en bellen kon ze hem niet, want hij had geen telefoon.

    Dodelijk ongerust was ze tenslotte naar huis gereden. Waar Manuel al op haar zat te wachten. Hij kent zijn stad, Manuel, zelfs de stukken waar hij nooit geweest is.

    De moeder van Nathan (6) vertelde dat haar zoon plannen had om een brug over de Atlantische Oceaan te bouwen, van Zeeland naar New York. Geen geringe ­ambitie voor een zesjarige. Hij had al becijferd hoelang het rijden was en hoeveel hotels er komen moesten onderweg.

    Intussen was er een einde gekomen aan een potje ­Monopoly en Rana zei: “Kent iemand nog een goede mop.”

    “Wat heb je,” zei Silke, ”als de je de r uit rookworst haalt?”

  10. Jammer voor de onderzeeër

    Om mijn geliefde te verrassen had ik op de Haarlemmerdijk een piepkleine gouache ­gekocht van Jaap Hillenius, de schilder die in 1999, op de Willemsparkweg meen ik me te herinneren, tragisch aan zijn eind kwam toen hij werd overreden door een tram.

    De gouache toont blije vlekken die half doorzichtig over elkaar heen schuiven en zo de lente zichtbaar maken.

    Terwijl mijn aankoopje werd ­ingepakt, raakte ik aan de praat met een schilderes die mooie kippenschilderijtjes maakt.

    Er was ook een boek van, zei ze, en dat boek liet ze me zien. Toen ik het doorbladerde, werd mijn aandacht ­getrokken door een schilderij van een onderzeeër.

    “Hij lijkt op de ­onderzeeër die in Noord ligt afgemeerd bij het KNSM-terrein,” zei ik. “Het is hem ook,” zei de schilderes. “Hij is gekocht door Maarten van Rossem.” “Goed nieuws,” zei ik, “want het gaat niet goed met die onderzeeër.”

    Ik vertelde haar dat een ­inmiddels overleden columnist een tijdje terug een stuk had ­geschreven, waarin hij rijke mensen opriep geld te doneren ­zodat de onderzeeër opgeknapt kon worden.

    Als miljonair had hij toen het goede voorbeeld kunnen geven door een eerste ton beschikbaar te stellen, maar ja, hoe word je miljonair? Door zuinig te zijn.

    En zuinig was hij, de columnist, zo zuinig dat Heineken hem een keer had opgevoerd in een advertentie, waarin gesteld werd dat hun bier nu zo lekker was, dat zelfs de ­columnist in kwestie wel een rondje geven zou, maar…

    Op dat moment viel de schilderes me in de reden en zei dat Maarten van Rossem niet de onderzeeër, maar haar schilderijtje had gekocht.

    Jammer voor de onderzeeër, leuk voor het schilderij.