live

Klein geluk in Amsterdam: Thuis, oké, in de tuin, alla

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Thuis, oké, in de tuin, alla

    Op de eerste echte voorjaarsdag zag ik hoe een citroenvlinder de ­Hacquartstraat uit kwam vliegen. “Tegen de regels,” zou Japie van Jan & Japie uit de onvergetelijke strip Heinz hebben gezegd, want zoals eerder opgemerkt, de eerste citroenvlinder zie je in de Bilderdijkstraat.

    Gelukkig ging hij wel in razende vaart, want dat is voorwaarde twee voor het zien van de eerste citroenvlinder.

    In het Vondelpark zag ik even ­later de eerste korte broek. Dat is ook zoiets, de korte broek. Ik had vroeger een vriend die mij in dit jaargetijde opbelde met de vraag of ik de korte broek al aan had. Hij wel, ik meestal nog niet.

    Kortebroekendag zou net zo’n fenomeen kunnen zijn als bloezendag, ware het niet, dat je als fatsoenlijk man de korte broek in het openbaar niet draagt. Thuis, oké, in de tuin, alla, maar in de Leidsestraat?

    Ik herinner me een vakantie-uitstapje met mijn ouders dat ons ­anno 1959 van Perpignan naar Barcelona voerde. Op de kaart kon je duidelijk te zien dat het tweeënhalf uur rijden was naar Barcelona. Maar toen we na zes uur rijden de stad binnenreden, gingen net de rolluiken omlaag.

    Mijn vader vloekte en parkeerde langs de Ramblas, waar alle passerende mannen een pak bleken te dragen. Hij was in korte broek. Dat kwam niet meer goed die dag, want ter plekke een pak kopen ging hem te ver.

    Via de Kinkerstraat ging ik op huis aan, maar voor ik mijn fiets in het rek zette, keek ik in de Boekenpoort of er nog iets te halen viel. De Penguin-uitgave van Anna Karenina. Met het boek in mijn hand betrad ik de binnentuin en keek naar de magnolia die op openbarsten staat. Wat een magnolia!

  2. Eigen mannen zeggen het

    Ik stond een afwasje te doen en dus stond ik te zingen, want als ik afwas, zing ik.

    “Op een bed met stalen ­veren,” zong ik, “lag een cowboy met zijn vrouw/ Hij wou het eens proberen, maar het gaatje was te nauw.” Toen moest ik zo onbedaarlijk lachen, dat ik niet verder kwam.

    Een dag later had ik een afspraak met een vriend die vertelde over iemand die iets fout had gedaan en naar hem toegekomen was om te zeggen dat hij het fout had ­gedaan. “Eigen mannen zeggen het,” zei ik.

    Mijn vriend keek me niet begrijpend aan. Als je op een landje voetbalde met twee hoopjes jassen als doelpalen waren er ­altijd oeverloze discussies of ie zat of dat de bal over was gegaan of ­tegen de niet bestaande lat, dat ie tegen de paal was of binnenkant paal, en soms was er dan iemand van de tegenpartij die zei dat ie zat: “Eigen mannen zeggen het!”

    “Ken je Op een bed met stalen ­veren?” zei ik. Dat kende hij ook niet, waarop ik het voor hem ­gezongen heb, dat wil zeggen het eerste couplet, waarna we de ­resterende tijd vulden met een discussie over anonieme taalkunstenaars van lang geleden.

    De volgende morgen bracht ik een bezoek aan mijn kaasleverancier, die ‘eigen mannen zeggen het’ wel, maar Op een bed met stalen veren niet bleek te kennen.

    Zo kwam het dat ik voor de derde keer in drie dagen hetzelfde liedje zong: “Op een bed met stalen veren, lag een cowboy met zijn vrouw/ Hij wou het eens proberen, maar het gaatje was te nauw/ Na zeven keer proberen, zat hij er eindelijk in/ En negen maanden later, had hij een heel gezin.”

  3. Geruisloos uit ons leven verdwenen

    Zojuist Schoolidyllen van Top Naeff gelezen, een mooi meisjesboek uit 1900. Het is een roman over een vrolijk ‘span’ meiden , met als middelpunt Jet van Marle. Jet is wees, sinds haar vierde ondergebracht bij een tante en oom die ‘haar dulden om het voordeel, meer niet.’

    Ze ambieert een carrière als zangeres, maar ze sterft op haar zeventiende verjaardag aan een onduidelijke ziekte. De andere meisjes uit de klas zijn er vier later nog niet overheen.

    Ik weet nog dat Henk Vos en ik, toen we meneer Smit, onze zieke onderwijzer uit de vierde klas, een cake hadden gebracht en van de James Rosskade langs de Erasmusgracht terugliepen naar onze school in de Egidiusstraat, danig onder de indruk waren.

    Meneer Smit moest wel heel erg ziek zijn als hij ons niet wilde zien. Maar daarna is meneer Smit geruisloos uit ons leven verdwenen.

    Ik kan me niet herinneren dat er over zijn dood is gesproken, zijn begrafenis of crematie hebben wij niet bijgewoond. Wij hadden het druk met het ­plagen van de onafzienbare stoet kwekelingen die meneer Smit kwamen opvolgen.

    De laatste in de rij heette Wijnands. Bij hem moest ik voorlezen uit De bloeiende perelaar, een leesboekje van Jan Mens. De kinderen uit dat boekje gingen een fietstochtje ­maken naar ’t Gooi.

    ‘Fietsen’ was bij ons in de klas een ander woord voor ‘neuken’ en iedere keer als het woord ‘fietsen’ viel, en dat was best vaak, lag de hele klas in een deuk. Na afloop van de les vroeg ­meneer Wijnands me wat er zo grappig was geweest. Ik heb geantwoord dat ik het niet wist.

  4. Waar kleine bloempjes bloeien

    Vannacht, in de ongehoorde stilte van de nacht, moest ik denken aan meneer Smit. ­Meneer Smit werd onze onderwijzer in de vierde klas, de huidige groep zes, met zijn wonderen als breuken, soortelijk gewicht en ­decimalen.

    In de derde hadden we mevrouw Besier gehad, de schrik van de school.

    Moeders namen hun kinderen van school als ze hoorden dat ze Besier kregen. Ze was diep in de tachtig toen ze me een keer opbelde en zei: “Ben jij vandaag niet jarig?” Dat was ik. Mevrouw Besier wordt door mij nog altijd beschouwd als de leukste leraar uit mijn schoolcarrière.

    Meneer Smit was een kleine man met een kaal hoofd en krijt op zijn jasje, het prototype van de ouderwetse onderwijzer. Hij liet zich graag meeslepen door zijn eigen verhalen, over de Witte van Haemstede en de slag op het Manpad of de moord op de voltallige bevolking van de vesting Naarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

    Op zijn best was hij tijdens de zangles. Na het ritueel stemmen met de stemvork dirigeerde hij ons met de blokfluit, een instrument dat hij zelden bespeelde. Onze favoriet was In ‘t groene dal (‘In ’t stille dal/ waar kleine bloempjes bloeien/ daar ruist een blanke waterval/ en druppels spatten overal’).

    Twee van ons mochten dan op de gang staan om de echo te vertolken: ‘Om alle bloempjes te besproeien/ ook ’t kleinste/’ (echo: ‘ook ’t kleinste’), prachtig!

    En toen werd meneer Smit ziek. Wat hij had, wisten we niet, maar misschien kwam hij niet meer ­terug. Samen met Henk Vos mocht ik een cake brengen, naar de James Rosskade waar meneer Smit woonde. Zijn vrouw deed open en bedankte ons voor de cake. Meneer Smit kregen we niet te zien.

  5. Theo's vader had drie broers

    Als Theo op zaterdag naar voetballen ging, zijn kicksen hingen dan met de veters aan elkaar ­geknoopt om zijn nek, kwam hij in de Linnaeusstraat langs de Bio. Zijn ome Ko werkte daar als portier.

    De portier was de als generaal uitgedoste man naast de kassa ­tegen wie je zei dat je twee parket wilde, waarna hij dat tegen de kassière zei die dan tegen de portier zei dat dat samen vier gulden zestig maakte, wat de portier weer ­tegen jou zei, waarna je vijf gulden neerlegde die de portier doorschoof naar de kassière die de kaartjes terugschoof plus een kwartje, een dubbeltje en een ­stuiver.

    Als de portier je je kaartjes overhandigde, pakte jij je wisselgeld, waarbij je een van de drie muntjes liggen liet. Zo kwam het dat Theo’s ome Ko altijd een zak vol kleingeld had, waarvan hij, zeker op zaterdag, wel een dubbeltje voor zijn neefje missen kon.

    Theo’s vader had drie broers die elk op hun eigen zondag bezocht werden. Wij maakten de wandeling die van Theo’s geboortehuis in de Andreas Bonnstraat voerde naar het huis van zijn ome Bennie die samen met zijn vader een steenhouwerij had gedreven.

    Ome Bennie had er een stoflong aan overgehouden, en als hij op zondagmiddag met zijn broer naar het café op de hoek was geweest, moest hij daarna door de mannen de trap op worden gedragen om weer thuis te komen.

    Theo’s vader had het steenhouwen er op een gegeven ogenblik aan gegeven en was tegelzetter ­geworden. Toen dat niet meer ging, werd hij portier bij de ingang van het Aquarium in Artis. Maar voor het zo ver was, had hij de grafsteen gehakt voor de twee broers die hem voorgingen in de dood.

  6. Naast de vogels slaapt mijn moeder

    Sommige buurten lijken wel verlaten, zo stil is het in de straten en op de pleintjes. Geen kinderstemmen, geen winkels, geen mannen aan het werk. Het buurtje achter de Haringvlietstraat is zo’n buurt.

    Om de een of andere reden waan ik mij hier altijd in een ­roman van Willem Frederik ­Hermans. Komt het door de welhaast onheilspellende stilte of is het toch de lichtval?

    Door de Grevelingenstraat ga ik, en door de Roompotstraat naar de Volkerakstraat en dan weer terug naar de Deurloostraat. In de ­Volkerakstraat staat een meidoorn van top tot teen in blad, terwijl de andere meidoorns in de straat het nog op knoppen houden.

    Ik steek de Scheldestraat over en de Maasstraat. In de Waalstraat ga ik rechtsaf. Aan de andere kant van de Kennedylaan vervolg ik mijn weg op de Mirandalaan.

    Langs de Joop ter Heul-villaatjes aan de Zuidelijke Wandelweg ­bereik in de Amstel, waar ik even stil houd om naar het sluisje ­achter de Wandelweg te kijken. ­

    Op Zorgvlied wachten de doden. Hoe vaak zal ik met haar de Fluwelen hoofdlaan zijn afgelopen? Niet eens zo vaak denk ik. We gingen dan naar onze dode vriendin en later kwam haar dode vriendin Marina erbij.

    Ze kijken op elkaar uit die twee, de ene vanonder een stenen drieluikje, de ander vanonder een glazen monumentje met de woorden ‘Naast de vogels slaapt mijn moeder’, wat de kleine Bastiaan zei toen zijn moeder naar haar dood gevlogen was.

    Zo halverwege tussen de twee graven liggen de graven van Maria Catharina de Witte-Schouten en mevrouw C.H. Mulder-Gravemaker. Tussen die twee was nog een plekje vrij. Op het paaltje dat de plek markeert, staat: ‘Gereserveerd per 13/03/’17’. Daar wordt ze vrijdagmiddag begraven, Kitty Courbois.

  7. `Slak, slak, slak, kom uit je huisje¿

    Daartoe aangezet door mijn eigen recensie van De eerste keer dat ik mijn hoed verloor van Colette had ik L’ingénue libertine uit de kast gepakt, de roman die ze in 1909 schreef in opdracht van haar toenmalige echtgenoot Willy. Literatuur in opdracht, maar een meesterwerkje, met een slap slot helaas.

    In het boek zingt Minne, de nog jonge, maar al zeer wulpse hoofdpersoon, een liedje over een slak, ‘Escargot Manigot,/ Montre-moi tes cornes!’, waarin ik zoveel jaar later het ‘Slak, slak, slak, kom uit je huisje’ herkende, dat wij als ­kinderen zongen. Zo’n versje raak je makkelijk kwijt, maar als het ­terugkeert, komt het niet alleen.

    De slakken die wij met ons ­gezang uit hun huisje probeerden te lokken, vonden we in het hoge gras langs de Erasmusgracht die toen nog geen gracht was, maar een kronkelige sloot met boerderijen aan de andere kant van het water. In dat gras begonnen in de zomer een soort aren te groeien, als van koren, maar dan groen.

    De kunst was om zo’n are in iemands trui te stoppen, aan de achterkant en van onderen. Om de een of ­andere reden bleef de are niet waar hij was, maar werkte hij zich in de trui langzaam omhoog wat tot een vermakelijk soort jeuk leidde bij de nietsvermoedende truidrager.

    ‘Lepeldief, lepeldief,’ zongen we dan, waarom weet ik niet meer. Zoals ik ook niet meer weet hoe het versje precies ging dat mijn moeder ’s morgens zo vaak citeerde. Het was verbonden aan het moment van opstaan: ‘Toen Betje uit haar bedje kwam/ En fris ­gewassen en gekleed was/ Keek ze naar haar boterham/ Of die ­alreeds gereed was’.

    Daar klopt iets niet, zoveel is duidelijk, maar wat, ik weet het niet. Ik weet niet veel.

  8. Geduld, geduld, de lente komt er aan

    Ik fietste langs de Reijnier Vinkeleskade. Ik keek naar de krokussen in het gras, naar de vrouw die haar hond uitliet en zo’n ding bij zich had waarmee je om je hond te plezieren een bal ver weg kunt gooien, waarna de hond erachteraan gaat om de bal weer terug te brengen en jij hem weer weggooien mag.

    Ik keek naar de ganzen die voorbij peddelden, naar de man die op een bankje zat en gefilmd ging worden, een hele cameraploeg voor zichzelf, ik hoorde mezen slaan. Mag je niet zeggen, ‘ik hoorde mezen slaan’, want mezen ­bestaan niet, je hoort koolmezen, pimpelmezen, staartmezen.

    Maar omdat ik het verschil niet kan ­horen, hoor ik mezen slaan, zoals ik ook ganzen voorbij zie peddelen, en nooit vlinders zie, maar een atalanta, een dagpauwoog, een ­citroenvlinder.

    Mijn verlangen naar atalanta, dagpauwoog, citroenvlinder knaagt zijn voorjaarsknaag. Af en toe ga ik stiekem naar de Bilderdijkstraat in de hoop daar de ­triomfantelijke vlucht van de ­eerste citroenvlinder te aanschouwen, want de eerste citroenvlinder vliegt altijd in de Bilderdijkstraat, maar ik ben te vroeg, ik weet het, geduld, geduld, de lente komt eraan.

    Aan de andere kant van de Reijnier Vinkeleskade liggen de tuinen van de villa’s aan de Apollolaan. Tijdens de bezetting woonde Willy Lages, hoofd van het kwaad, in een van de villa’s, welke weet ik niet, maar lekker dicht bij zijn werk.

    Als ik de brug naar de Breitnerstraat ben overgestoken, kom ik langs de Montessorischool. Er staan twee meisjes aan het hek, allebei een jaar of tien. “Meneer, meneer,” roepen ze, terwijl ze naar de tas in mijn mandje wijzen, “mooie tas!”

    “Albert Heijn,” zeg ik.

    “Cool,” roepen ze en allebei steken ze hun duim op.

  9. Trosje kinderen aan het touw

    De man met wie ik te ­praten zat, stond. Ik had het over het kappersleed uit mijn jonge ­jaren en vroeg hem of hij oud ­genoeg was omdat ook te hebben meegemaakt. “Mijn vader was kapper,” zei hij, “dus ik ben nooit bij de kapper geweest.” Daar had ik niet van terug.

    Hij kwam uit de Pijp, waar ze met zijn vijven een halve woning ­bewoonden, tot ze naar het Duivelseiland waren verhuist. Naar Zuid, waar de deftige mensen woonden.

    “Dan mag ik mijn bek wel in de plooi gooien,” had zijn moeder gezegd, die uit de Jordaan kwam.

    Ze waren katholiek thuis en hij had op de Stadhouderskade op een katholieke school gezeten. Naar de kerk gingen ze in de Sint-Willibrorduskerk buiten de Veste op de hoek van de Ceintuurbaan en de Amsteldijk.

    “Kan je je die kerk herinneren?” zei de man die stond terwijl ik zat. “Als een kathedraal zo groot. Al die kerken waren zo groot, op het Leidseplein, aan de Van Lennepkade, het Vondelpark, allemaal gesloopt.”

    “Ken de Vredeskerk bij het Troostpleintje?” zei ik. Die kende hij, waarop ik hem het verhaal ­vertelde dat een andere man van ­katholieke huize me onlangs had verteld.

    Op zijn zondagse schoenen had hij gevoetbald op het pleintje voor de kerk. Maar met vieze zondagse schoenen kon je niet thuis komen en daarom had hij ze toen in de kerk afgespoeld in de wijwaterbak.

    Hij had ook de deur gevonden naar de ruimte van het klokkentouw. Hij was aan het touw gaan hangen, en toen er helemaal niks gebeurde was hij zijn broertjes en zusjes gaan halen. Het trosje ­kinderen aan het touw had de klok een klingeltje ontlokt.

  10. Op de stang is ook liefde

    In het café waar ik kom sinds ik weer in een café kom, stond een jonge vrouw ­achter de bar die ik niet eerder gezien had. Nadat ze me een borrel had ingeschonken, keek ze een tijdje dromerig naar buiten.

    “Kijk,” zei ze, “zij laat zich dragen.”

    Aan de andere kant van de ­Admiraal de Ruyterweg liep een jongen die zijn meisje op zijn rug had genomen. “Dat is liefde,” zei ik. “Net als wanneer meisjes voorop op de fiets gaan zitten.”

    “Op de stang,” zei de barjuffrouw. “Dat bedoel ik niet,” zei ik, “maar op de stang is ook liefde.”

    “Ik zat vaak bij mijn vader op de stang,” zei ze. “En achterop met mijn voeten in de fietstassen vond ik ook fijn.”

    “Had je vader nog fietstassen?” zei ik. “Hij was van de oude stempel,” zei ze.

    Vanuit de serre werden twee wodka jus de rans besteld. Ze zocht de juiste glazen, deed er ijs in en pakte toen de wodkafles. “Ze bestelden toch wodka met ijs?” zei ze. “Wodka met jus,” zei ik.

    Even later hoorde ik haar sinaasappels uitpersen. “Soms sta ik te dromen,” zei ze nadat ze de glazen naar de serre had gebracht. “Laatst,” vervolgde ze, “hadden we het erover dat jongens vroeger gebreide zwembroeken droegen en dat die zwembroek als ze in het zwembad doken dan op hun ­enkels hing.”

    “Vreselijk,” zei ik, “maar waar ik zwom, in het Drollenbad, was het niet erg als het gebeurde, want jongens en meisjes waren daar ­gescheiden. Je zag elkaar alleen bij snoepkraam.”

    Op dat moment kwam Jaap­ ­binnen. Mieke schonk hem zijn jonge met ijs in en een klant zei: “En Jaap, heb je nog iets slechts gedaan vandaag?”