live

Klein geluk in Amsterdam: Als kleine parapluutjes

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Als kleine parapluutjes

    In de herfst van anderhalf jaar geleden liep ik langs de Amstel en de Hermitage. Na een korte aarzeling, ik durf het haast niet te zeggen, maar ik heb het niet zo op de Hermitage met al dat tsarengedoe en hun ­eieren van Fabergé, ging ik de poort door en betrad de binnenplaats. Waar het stil was en twee grote kastanjes stonden. Op het gras lagen ze bij tientallen en ik vulde mijn zakken.

    Een al wat oudere dame zag het glimlachend aan en raapte er ook een op. “In een bloempot stoppen,” zei ik, “en volgend jaar hebt u een kastanjeboompje.” ‘De ­dame glom als de kastanje in haar hand,’ noteerde ik.

    Wat ik me afvraag, is of ze mijn advies heeft opgevolgd. De meeste mensen houden niet zo van ­advies. Ik ken iemand die ik ruim vijfenveertig jaar geleden mijn ­lievelingsboek heb gegeven. Dat ze nog steeds niet heeft gelezen.

    Zoals ik zelf jarenlang het advies van Karel van het Reve om Sanders of the river van Edgar Wallace te lezen in de wind heb geslagen. Volkomen ten onrechte, want toen ik het eindelijk las, bleek het een meesterwerk, schandelijk, maar een meesterwerk.

    Als de dame mijn kastanjeadvies heeft opgevolgd, kijkt ze nu, net als ik, naar het wonder van een ontluikende kastanjeboom.

    Had ze vorig jaar in haar virtuele bloempot nog een slap rood stengeltje, waar een kleine groene kroon op groeide, nu is er een stam en het glimmende bruin van de vette volle knop is opengebarsten om een bleke sigaar te onthullen die zich langzaam ontrolt tot generfde bladeren die teergroen hangen en dan als kleine ­parapluutjes worden opgestoken. Geen groen zo groen als jong kastanjegroen.

  2. De Berlasjeebrug en de Bwie Baloo

    Als vrienden weet je vaak opmerkelijk weinig van elkaar. Je ziet elkaar ­iedere week, al ik weet niet hoe lang, je gaat wel eens ­samen uit eten en vijftig jaar geleden of daar omtrent ben je zelfs een keer met zijn vieren op vakantie geweest.

    Als je je een beetje ­verveelt, zeg je: “Wat bewaren de Romeinen in hun donkere wouden?” en prompt klinkt dan: “Het stilzwijgen,” waarna het meteen weer pret is.

    Maar hoe zij elkaar hebben leren kennen, weet ik niet. Nooit naar gevraagd, terwijl de manier waarop geliefden elkaar ontmoeten ­altijd een verhaal is, zie het vers No, No, Nanette van K. Schippers:

    ‘Tea for two heeft voor de oorlog/ iets voor mijn vader gedaan./ En ook voor mij./ Hij liep langzaam/ om het langer uit een huis/ te kunnen horen/ en miste zo lijn 2./ In de volgende zat mijn moeder.’

    De ouders van Yvonne Wassenaar, die ik nooit ontmoet heb, maar die me een brief heeft ­geschreven, waren dolverliefd toen ze op een middag door ­Amsterdam Zuid dwaalden en aangesproken werden door een voorbijganger die vroeg:

    “Kunt Uumij wellicht vertellen waar de ­Berlasjeebrug is?”
    “O wel zeker,” zei haar vader deftig, “dan volgt u hier de ­Amstelkade, dan rechts af en daar ziet u dan de Berlasjeebrug.”

    Bij Yvonne Wassenaar thuis heet de brug in kwestie nog altijd de Berlasjeebrug. Of ze de Koper Nikusstraat kende en de Watte Au, vroeg ik haar per kerende post.

    Die kende ze. ‘En ook de Bwie Baloo,’ schreef ze, ‘en de verwarring bij de buschauffeur bij de vraag naar de Krehem Bellstraat. “O, Gra Ham Bel, dat is de volgende halte, dame.”’

  3. Stralende slingeringen

    Sinds ik in een parkeergarage een keer met een boksbeugel ben bedreigd door een filmregisseur, wie het was, zeg ik niet, maar hij heette Lars von Trier, kom ik niet graag in parkeergarages.

    Maar ik zie ze graag. Als ik tussen Elandsgracht en Kinkerstraat de Kinkerbrug oversteek, kijk ik altijd met veel plezier naar de stralende slingeringen van de parkeergarage aan de Singelgracht, prachtig!

    Achter de nieuwe RAI, vlakbij de plaats waar Rem Koolhaas het op de prominente reclamezuil ‘het Signaal’ geïnspireerde nowh ­Amsterdam RAI Hotel aan het bouwen is, trof ik een parkeergarage die net zo wervelt als die aan de Singelgracht, schitterend!

    Niet veel later stuitte ik op Kippenfarm Rondeel, waarvandaan een pad liep naar het Orion College, speciaal in onderwijs.

    “Kom je iets leren?” zei de man die voor de deur stond.
    “Ik ben uitgeleerd,” zei ik.
    “Rondom bevoegd,” zei hij.
    “Dat niet,” zei ik, “maar vol.”
    “Heb je een vrije dag?” zei hij.
    “Ik heb iedere dag een vrije dag,” zei ik.
    “Lekker,” zei hij, “ik moet nog drie jaar.”

    Toen ik mijn weg vervolgde, bleek de straat die me op de Zuidelijke Wandelweg moest brengen dood te lopen op een bouwput. Grenzen in de stad, ze komen in soorten en maten, taalgrenzen, kleurgrenzen, inkomensgrenzen, spoordijken, geluidswallen, snelwegen, vaarten, en bouwputten dus.

    Onlangs stak ik bij de Transvaalkade de brug over naar de ­Watergraafsmeer. Ik wist niet wat ik zag, zoveel lager als de Watergraafsmeer ligt dan de rest van de stad.

    Het hoogteverschil is zo groot dat je een trap moet nemen om beneden te komen. Vanuit de diepte keek ik naar de Ringvaart hoog boven me. Ik kon het niet ­geloven.

  4. Een ijsje in de Jodenbree

    Een straat is een straat is een straat. Geen speld tussen te krijgen, lijkt het, maar bij nadere ­beschouwing is het vaak ingewikkelder dan je dacht.

    Wat is bijvoorbeeld de naam van de straat in kwestie? Als je door de Jan Maijenstraat loopt, loop je dan in de Jan Maijenstraat of in de Jan Mayenstraat?

    Het naambordje in deze voor elck wat wilsstraat spelt de naam aan de ene kant van de straat anders dan het naambordje aan de andere kant dat doet.

    En waarom heet het enorme plein voor het bakstenen fort van de Jeruzalemkerk Jan Mayen- of Jan Maijenstraat, terwijl het ­Krugerplein bijvoorbeeld overduidelijk een straat is?

    En dan heb je nog de vraag hoe wij een straat believen te noemen. Als mijn moeder wilde dat ik naar de Bos en Lommerweg ging om bij Stam een ons Drosteflikken te ­kopen, zei ze: “Guusje, ga jij voor mama even naar de Bos en Lommer voor een onsje Droste flikken bij Stam?”

    Niemand zegt dat hij gaat flaneren in de Leidse of winkelen in de Kalver, maar je eet wel een ijsje in de Jodenbree. En de Nieuwezijds Voorburgwal heet de Nieuwezijds.

    Het is heel raadselachtig allemaal. Maar een straat is een straat is een straat. Behalve als in je ­eigen straat de prunusbomen bloeien, aan de straatkant en in de binnentuin. Dan kan je bijvoorbeeld zien hoe een al wat oudere man op het bureau in zijn werkkamer klimt en de ramen opent om vervolgens met een schaar een tak van de prunus te knippen die hij dan in de huiskamer in een vaas zet, een kleine roze wolk tussen de wolken roze voor en achter het huis.

  5. Het meisje achter de bestuurder

    De jonge vrouw die vaak nog een meisje was en in de tram vlak achter de bestuurder stond, was meestal een beetje bleek en dik en kwam soms wat moeilijk uit haar woorden.

    De bestuurder van de tram had er nooit moeite mee. Hij luisterde, beantwoordde alle vragen en bestuurde ondertussen de tram. Je kon zien dat het niet de eerste keer was dat ze achter hem stond en dat er zekere intimiteit tussen de twee bestond. Hij reisde met haar mee als de buffel met zijn witte reiger.

    Trambestuurders zijn wel wat gewend. Denk aan de mannen met hun fototoestellen die op alle kruispunten hun lange lenzen op de tram richten om alles voor alle eeuwigheid in al zijn details vast te leggen.

    Piloten in hun vliegtuig zien hun spotters niet, maar trambestuurders zijn zich er voortdurend van bewust dat ze in de gaten worden gehouden. De jonge vrouw die of het meisje dat vlak achter hen staat, hoort daarbij.

    Hoorde daarbij moet ik zeggen. Want ik zie ze bijna niet meer, die jonge vrouwen of meisjes die niet zozeer met de tram als wel met de bestuurder mee reizen. Wel stond er van de week de mannelijke variant van het meisje dat achter de bestuurder stond achter de ­bestuurder.

    Hij keek heel zelfbewust uit zijn ogen en blokkeerde het incheck-apparaat. “Jongeman,” zei een wat oudere vrouw, “kan je iets ­opzij gaan, dan kan ik inchecken.” “Jongeman?” zei hij, “zei u jongeman? Ik ben geen jongeman, kunt u niet zien, dat ik een man ben?”

    “Die mevrouw denkt dat ik een jongeman ben,” zei hij tegen mij. “Maar ik ben geen jongeman, ik ben een man.”

    De volgende halte stapte hij uit. Een boze jongeman.

  6. De battle van de merels

    In de Valeriusstraat begon een merel te zingen, zoals merels dat kunnen in april en mei. Sprakeloos stond ik te luisteren toen de zang van een tweede merel klonk en de merels zo de stiltes in elkaar zang vulden met merelgezang.

    Ik dacht aan het eerste gedicht dat ik als gedicht heb ervaren, een gedicht van Jan Hanlo: ‘Het was halfvijf ’s morgens in april/ Ik liep en floot de St. Louis blues/ Maar ik floot die op mijn eigen wijze/ Al fluitend dacht ik: mocht mijn fluiten gelijken/ op de zang van de grote lijster/ En waarlijk, na enige tijd geleek mijn/ fluiten van de St. Louis blues/ Op de zang van de grote lijster:/ turdus viscivorus.’

    De battle van de merels ging voort, maar ik was in de Ode aan de Nieuwezijds-Voorburgwal van Hanny Michaelis beland die zo eindigt: ‘Auto’s en trams stoven elkaar luidruchtig/ en opgewekt voorbij. Ergens begon een vogel, die niet langer zwijgen kon,/ zijn lied. Ik voelde mij als schuim zo luchtig,// het leven woei mij als een zaadpluis mee,/ totdat het op een nieuw geluk mij entte,/ gevoed door het bestaan van deze twee: de Nieuwezijds-Voorburgwal en de Lente.’

    Een groot dichter, Hanny Michaelis, als kind al, zo blijkt uit Verst verleden, haar door Nop Maas genoteerde jeugdherinneringen. Als kleuter dichtte ze ‘En achter de deur/ stond een hele grote chauffeur.’ Dat is niet mis.

    Haar oudst bewaard gebleven vers Zomerlied uit 1931, ze was toen 9, eindigt met de regels ‘Tintelende sterren/ Bleek zilvre maan/ Geurende bloemen/ Wapperende vaan.’ “Ik wist geen ander rijmwoord op ‘maan’,” zei ze zeventig jaar later.

    In een vers over een prinses die in een toren op haar prins wacht, had ze soortgelijke problemen en toen schreef ze: ‘Ze staarde in de verte/ En zag slechts zeven herten’.

  7. De 17 die mijn geliefde brengt

    Iedere woensdagmorgen om negen uur ging ik naar het huis van onze dochter om op onze kleindochter te passen. Als mijn vrouw belde om te zeggen dat ze zich bij ons kwam voegen, zette ik de kleine in een wandelwagentje en liep met haar naar de tramhalte, waar we de komst van haar grootmoeder afwachtten.

    Iedere tram die op de halte kwam, werd door ons uitgebreid bestudeerd. Zit ze er in of zit ze er niet in, dat was de vraag. Zat ze er niet in dan was de teleurstelling groot, maar als ik beloofde dat ze in de volgende tram zou zitten, was het weer goed.

    Als ze daadwerkelijk uitstapte, grensde de vreugde aan euforie. Geen kind ooit was zo dol op haar grootmoeder als zij, behalve ik dan, zoals mijn geliefde fijntjes opmerkte.

    Deze woensdag sta ik bij het Centraal Station gespannen op de 17 te wachten, waarin mijn geliefde zitten kan, maar waar ze ook niet in kan zitten.

    In de pauze tussen trams houd ik de gang van zaken beneden aan het water in de gaten. De toeristen staan in lange rijen geduldig te wachten tot ze op de rondvaartboot mogen stappen die ze een uurtje door de grachten voeren zal. Er is geen gids meer aan boord, maar ik zie wel een ­microfoon.

    Hoe zouden ze ‘de bijl’, het slotwoord waar je de aap van de fooi uit de mouw laat komen, tegenwoordig aanpakken, vraag ik me af.

    Ik wil het net gaan vragen als de 17 stopt die mijn geliefde brengt. De stationsklok wijst kwart over twee. Over drie kwartier weten we naar welke middelbare school ­onze kleindochter gaat.

  8. De verboden plekken van de stad

    Terug in Amsterdam denk ik terug aan Parijs en aan de jeugdige ober in café De Vos in de rue de la Verrerie die ten gerieve van twee Amerikanen eerst een varkenskarbonade nadeed om ze vervolgens op een volmaakte zwaardvis te trakteren.

    “Je lijkt Louis de Funès wel,” zei ik, “in Oscar.” Dat ik zo moet lachen vond hij leuk, maar Louis de Funès leek hem niets te zeggen. Is de eens zo ­immens populaire komiek alweer vergeten?

    Wie zal nog weten, denk ik, terug in Amsterdam, dat in de Paleisstraat waar nu een Tours en Tickets zit decennia lang een ­gewaagde lingeriezaak zat. Die lingeriezaak, in de Utrechtsestraat zat er ook een, was een van de verboden plekken van de stad.

    Je wist dat de winkel er was, je wist dat er corseletten te zien waren, adembenemende beha’s, jarretels, slipjes en kousen, maar stil staan voor de winkel om een en ander op je gemak te bekijken, durfde je niet, ik niet in ieder geval.

    Er waren meer van dat soort plekken in de stad. In de Spuistraat vlakbij het Rokin bijvoorbeeld zat een winkel waar een groen kruis aan de gevel hing. ‘Gummiwaren’ stond er op de ruit. Iedere jongen wist dat ze daar ­kapotjes verkochten. Je liep er naartoe om er dan zo snel mogelijk voorbij te lopen.

    Aan het einde van de Amstelstraat, vlak voor de Amstel, hingen vieze boekjes in een etalage. Je kwam er langs als je naar het Waterlooplein ging. En iedere dag als ik naar de Eerste Vijf op de Keizersgracht fietste, kwam ik langs de tijdschriftenwinkel Univers op de Rozengracht. Wat daar allemaal niet te zien was, heb ik nooit gezien.

  9. Als spruitjes op zondag

    Ik had nog geen schilderij van hem gezien toen ik van Karel Appel al een hoge hoed op had. Als tienjarige of daaromtrent was ik een groot liefhebber van de knallende ruzies die losbarstten als op verjaardagen en dat soort bijeenkomsten zijn naam genoemd werd. Mijn tante Mies stikte er bijna in en dat was een goed teken.

    In de tijd dat ik iedere dag naar de bioscoop ging en op donderdag vijf keer, heette de maat der ­dingen in filmland B.J. Bertina. B.J. Bertina schreef over film in de Volkskrant en als hij schreef dat een film ‘een politiek en artistiek hoogstandje van de actuele Bulgaarse cinematografie’ was, dan was het wegwezen, wist je.

    Noemde hij een film daarentegen ‘een weerzinwekkend voorbeeld van commerciële exploitatie zoals die in Hollywood nog altijd hoogtij viert’ dan zaten wij al op de eerste rij.

    Tot mijn dertiende was tante Mies mijn B.J. Bertina, met dat verschil dat ik over Bertina als mens geen mening had, terwijl ik tante Mies haatte als spruitjes op zondag. Als tante Mies iets leuk of mooi of spannend vond, moest het wel vervelend, lelijk of saai zijn. En dat was het ook.

    Ik moest, heel even, aan haar denken toen wij in Parijs de tentoonstelling Karel Appel – L’art est une fête! bezochten. Het eerste schilderij dat je dat daar te zien krijgt, toont twee kopvoeters en vijf dieren uit de Cobradierentuin. “Mijn kleine zusje,” zou tante hebben geroepen, enzovoort.

    En o, wat een prachtig schilderij is Kleine hiep hiep hoera, dat in het Frans heel leuk Petit hip hip houra heet. Na ‘Kleine hiep’ blijft het feest tot Appels laatste schilderij dat uit 2006 dateert. Feestje? heet het. Mijn toch al hoge hoed is alleen maar hoger geworden.

  10. O koffieritueel van lang geleden

    We waren even in ­Parijs en werden wakker met het klokgebeier van Notre Dame de la Croix die vanaf het einde van de straat de buurt overziet. “Ome Gerrit hangt in de touwen,” zei mijn bedgenoot.

    Een uurtje later gingen we er op uit. Eerst met de bus, om er een beetje in te komen, dan naar een tentoonstelling omdat nu eenmaal hoort en daarna het echte werk. Een beetje rommelen en hier en daar aanleggen voor koekjes en geklets.

    Deze keer liepen we de rue de Grenelle uit, een lange straat die langs de Invalides voert. Als we de gouden koepel zien, vertel ik altijd dat ik het graf van Napoleon een keer heb bezocht. Moest van mijn vader. Ik vond er niks aan, zoals ik nergens iets aan vond, qua oude gebouwen en lauwe thee dan, want meisjes bijvoorbeeld vond ik heel leuk.

    Voorbij de kanonnen van het Musée de l’Armée streken we neer op een terras en bestelde twee kleintjes koffie, een van de zegeningen van dit leven. De koffie kwam met een cacaoboon die volgens mijn geliefde geen cacaoboon was, maar meer een soort snoepje.

    Prompt kregen we het over de koffieboon waar mijn moeder me op trakteerde als ik de koffie had gemalen. O koffieritueel van lang geleden, alles was even heerlijk, van het met koffiebonen vullen van het koffiemolenreservoir tot het malen zelf en het tussen je tanden kraken van de koffieboon, waarvan de smaak al preludeerde op de geur van koffie die zo dadelijk het huis zou vullen.

    Toen wij aan het einde van de middag thuis kwamen, beierden de klokken van Notre Dame de la Croix ten tweede male. “Ome ­Gerrit maakt overuren,” zei mijn geliefde.