live

Klein geluk in Amsterdam: Die gekke jeugd van tegenwoordig

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Die gekke jeugd van tegenwoordig

    De jongen droeg een windjack en een petje dat hij als Dik Trom achterstevoren op zijn hoofd had gezet. Het meisje droeg een hoofddoek en had een stok bij zich, een wandelstok.

    Ze waren ­allebei begin twintig met pretogen en hoewel ik niet zeer modebewust ben, kon ik zien dat windjack, petje, hoofddoek en stok van het chique soort waren.

    Ze maakten foto’s van elkaar en van zichzelf, maar ze hadden het vooral druk met grappen, waarbij de ­jongen er regelmatig in slaagde niet alleen haar maar ook zichzelf in een deuk te krijgen.

    Ik zat een en ander met plezier aan te kijken toen de jongen zich tot mij richtte.

    “Ja meneer,” zei hij, “die gekke jeugd van tegenwoordig.”

    “Nou,” zei ik na enig nadenken, “jullie hebben een telefoon, maar verder is er eigenlijk niets veranderd.”

    “Die telefoons…”zei de jongen met een wegwerpgebaar, waarna zij verder gingen waar ze gebleven waren.

    Maar omdat ik er nu een beetje bij hoorde, kon ik openlijk zitten luisteren en zo hoorde ik de jongen een verhaal vertellen over het leren bankstel dat zijn ouders ­hadden gekocht toen hij een jaar of negen was. Met een puntige stok had hij er drie gaatjes ingeprikt, waarna de bank in een auto was veranderd en de stok in het versnellingspookje.

    “Mijn vader,” zei hij, “moest wel acht keer om het huis heenlopen voor hij weer gekalmeerd was.”

    Nadat ik met een open inktpot op de muziek van Charlie Parker over de nieuwe vloerbedekking was gedanst, hadden mijn ouders er een jaar over gedaan, vertelde ik. Bij het Rijksmuseum stapten ze uit, waarna ik ze lachend in de PC zag verdwijnen.

  2. Een merkwaardig niemandsland

    Vrijwel overal in de stad ga ik vergezeld van ­herinneringen, maar een enkele keer spoel je op een eiland aan waar alles ­blanco is. Vanaf het Muzenplein, dat in het geheel geen plein is, maar een brug, keek ik naar de twee torentjes die zich in de richting van het Beatrixpark tegen de hemel aftekenden.

    Het ene torentje kon ik niet thuisbrengen, het andere was van het Vossius gymnasium. Ik besloot eens gaan kijken en fietste de Herman Heijermansweg af naar de Messchaertstraat, waar ik het gevoel kreeg, dat ik er nooit eerder was geweest.

    Dat gevoel werd een zekerheid in de Guido Gezellestraat. Maar ik was toch wel eens op feestje van het Vossius geweest? Om de Gold Coast Combo met Edwin Rutten en Rogier van Otterloo te horen? Nee dus.

    Verzinsels, hersenspinsels, ik heb het Vossius nooit van binnen gezien en in de Guido ­Gezellestraat was ik nog nooit ­geweest.

    Enigszins verloren keek ik naar het schoolgebouw. Karel van het Reve had hier school ­gegaan, net als Gerard Reve, ­Hanny Michaelis, Jan Romein, maar die wetenschap bood geen houvast.

    Ik bevond me in een merkwaardig niemandsland, dat zich via de Herman ­Gorterstraat bleek uit te strekken tot de ­Diepenbrockstraat, waar ik op de hoek het tweede torentje trof, op Vrijburg, een kerk, als ik het goed begrijp, van remonstranten en vrijzinnige protestanten.

    Maar op de hoek werd alles weer normaal, want daar aan de overkant had je het Beatrixpark waar… en aan de andere kant van de brug op de Bernard Zweerskade woonde… en dan heb ik het over de villa op de hoek met de Stadionweg nog niet gehad.

  3. Zestien paardenstaartjes

    In de tram is altijd wat te doen. Ik was op het Centraal Station in de 5 gestapt en met mij stapten zestien paardenstaartjes in, ik heb ze ­geteld.

    Ze waren een jaar of achttien en spraken met elkaar in een dialect dat ik maar moeilijk volgen kon. Maar als ik iets verstond, ging het over kunst. Over een performance die ze hadden bijgewoond in Antwerpen, een schilderij in Madrid.

    Toen we op de halte van de Dam stonden, wees het meisje dat naast mij stond naar de Nieuwe Kerk en zei: “Gotiek.” Vervolgens haalde ze een boekje tevoorschijn en kruiste iets aan.

    “Wat ben je aan het doen?” zei ik. Ze waren van een kunstopleiding en hadden de opdracht gekregen van CS naar het SM te lopen en ­onderweg allerlei gebouwen te ­fotograferen.

    “Maar,” zei ze, “het is tweeënveertig minuten lopen naar het Stedelijke Museum. Dus hebben we de tram genomen, want vanuit de tram gaat het ook.”

    “Heb je het postkantoor al?” zei ik. Ik wees. Tot mijn verbazing ­keken alle zestien paardenstaartjes ineens naar het voormalige postkantoor en allemaal maakten ze foto’s. “En links is het Paleis,” zei ik toen de tram weer reed, en hup, daar ging het hele spul naar links.

    Het werd een vrolijke rit langs Krijtberg, Metzgebouw, Americain. Maar het huis van Mulisch zei ze niks. Ze hadden een keer een boek van Mulisch moeten ­lezen en dat was al erg genoeg ­geweest.

    Nadat ik Byzantium had aangewezen, zei een van de meisjes: “Hoe weet u dat allemaal?”

    “Dat is van Rem Koolhaas,” zei ik, “dat weet toch iedereen?”

    Toen ze uitstapten, vroeg ik waar ze vandaan kwamen. “Uit Almelo,” luidde het antwoord.

  4. Samen door de stad

    Het is al donker als wij het café verlaten waar we met elkaar hadden afgesproken. Op het pleintje voor het café zoeken we tussen de tientallen fietsen onze eigen fiets op. “Heb je licht op je fiets?” vraagt mijn vriend.

    “Voor en achter,” zeg ik.

    “Mooi,” zegt hij.

    “Maar of voor brandt, weet ik niet zeker,” zeg ik, “maar ik dacht van wel.”

    Bij de zebra steken we over naar het fietspad. Daar stappen we op. “Voor doet het niet,” zegt hij als we zijn weggereden. Tot de brug rijden we achter elkaar, maar voorbij de brug is ruimte genoeg om naast elkaar te fietsen.

    “Dat is lang geleden,” zeg ik, “dat we samen door de stad fietsten.”
    Na een korte stilte zegt hij: “Hebben wij ooit samen door de stad gefietst? Ik dacht het niet.”

    Bij het kruispunt nemen we afscheid. “Gusioo!” zegt hij en verdwijnt in het duister.

    Ik sla rechtsaf, en denk na.

    We kennen elkaar een jaar of 55, mijn vriend en ik, we zaten op dezelfde middelbare school en later kwamen we op dezelfde feestjes in de afbraakpanden op Kattenburg, we hebben samen in de redactie van Propria Cures gezeten, ik heb hem op de Oudezijds Achter door zijn eerste racefiets zien zakken, we reden samen naar Den Haag in een auto met een gat in de bodem waaromheen paddenstoelen groeiden, ik heb in zijn huis gewoond, hij heeft mij geïnterviewd en ik hem, mijn dochter heeft op zijn zoon gepast, maar we hebben nooit samen door de stad gefietst?

    ‘Ik aap het licht na en het lukt me niet./ Ik blijf zoo donker als een zwarten hoed.’ (Pierre Kemp)

  5. De haring werd niet schoongemaakt

    Fotograaf Piet Hermans met wie ik op de brug over de Groenburgwal over de Zuiderkerk stond te praten, vond dat de Zuiderkerk zo in de steigers wel iets van een Christo had.

    Dit kon ik maar ten dele met hem eens zijn, want echt ingepakt was de toren niet, en een Christo is dat wel. Na mijn lyrische uitbarsting over de ingepakte Pont Neuf – o, hoe het grijze zeil gloeiend oranje werd als de zon doorbrak – ging de fotograaf op huis aan en reed ik via de Binnengasthuisdoorgang naar de zij-ingang van de Oudemanhuispoort.

    Op de muur stond een tekst, zag ik: ‘Toen is in mij het bewustzijn ontwaakt dat een van de taken van de historicus, de man die schrijft over de mensen van vroeger, is de doden stem te verlenen. De doden moeten kunnen spreken en als men hen het spreken belemmert dan sterven ze tweemaal. J.P.’

    Jacques Presser dacht ik, maar omdat ik het niet zeker wist, vroeg ik het aan de vrouw die in haar tuintje stond te rommelen.

    “Dat weet ik niet,” zei ze, “en die arrogante spreuk van de universiteit interesseert me, ja, geen klap.”

    “Die tekst gaat niet over de universiteit,” zei ik, “maar over de Joden die hier vroeger woonden. “Hier woonden, ja, geen Joden,” zei de vrouw, “hier was een ziekenhuis, en die malle spreuk interesseert niemand, ja, niks.”

    Bij de haringkar tegenover de UB kocht ik een troostharing. Het echtpaar dat hier altijd stond, had plaats gemaakt voor twee vlotte jongemannen, en de veel te grote haring, zag ik, werd niet schoongemaakt, maar kwam van een haringberg.

    Na een stukje hield ik het voor gezien. Het was niet alleen de haring die mij zwaar op de maag lag.

  6. Een oude foto met mensen erop

    Alsof we niks beters te doen hadden, zat ik met een vriend te kletsen over niks en van alles. Ik vertelde hem over de schandlijst van Amnesty International, waarop ik als Parool-columnist een plaatsje had gekregen tussen populisten, roepende minderheden, homohaters en boze witte mannen, en mij gevraagd werd het nieuwe jaar te proberen ‘minder te benadrukken wat ons verdeelt en meer oog te hebben voor wat ons bij elkaar brengt’. Een en ander in een advertentie die mede betaald was van mijn bijdrage aan de club, alstublieft, dank u wel.

    Mijn vriend vertelde me over de film die hij aan het maken is, ik bracht de schrijfwijze van de titel van het boek Kees de jongen van Theo Thijssen ter tafel, en ineens ging het over de foto’s die Ed van der Elsken maakte tijdens jazzconcerten, zoals verzameld in het boek Jazz.

    “Ken je dat?” vroeg mijn vriend.

    Natuurlijk kende ik dat, prachtig boek over een prachtige tijd. “Ik heb vaak zitten kijken of ik mezelf nog ergens in het publiek zag zitten,” zei ik. “Maar nee dus.”

    Ik kan het niet laten, als ik een oude foto zie van Amsterdam met mensen erop, kijk ik of ik mijn vader of moeder misschien zie, of mezelf. Laatst nog stond een foto van de Kalverstraat anno 1950 in de krant.

    Ik zag de schoenenwinkel van Van Haren, de reusachtige Parkervulpen aan de gevel van Akkerman, de Arrowwinkel, ik zag tientallen mannen met hoeden in lichte regenjassen, vrouwen met hoedjes en omgeknoopte sjaaltjes, ik zag een auto en fietsen, maar mijn moeder met mij aan haar hand, zag ik niet.

  7. Alleen op de wereld

    Ik was De Zwart binnengelopen wegens dorst, maar ik moest nog even geduld hebben omdat de barkeeper bezig was zo’n uit een afwasmachine afkomstig rek met koppen en schotels uit te ruimen. Terwijl hij bezig was, keek ik om me heen. Niks bijzonders te zien. Vrijwel alle tafeltjes bezet, een man of vijf aan de bar, iedereen in gesprek, dat was het wel zo’n beetje.

    De barkeeper was uitgeruimd en had me een glaasje ingeschonken toen ik nog eens om me heen keek en het plotseling tot me doordrong hoeveel mensen er wel niet zijn die je niet kent.

    Er zaten zevenentwintig mensen in De Zwart, mezelf niet meegerekend, en ik kende er niemand van. Allemaal vreemden die ik als ik zo dadelijk de deur uitging nooit meer zou zien.

    Nadat ik had afgerekend, liep ik de Heisteeg in. Bij Koekmakerij Van Stapele, waar ze een soort chocoladekoeken verkopen, zag ik door de etalageruit, stond een enorme rij, net als bij Frietsteeg aan de overkant.

    In geen van beide rijen stond iemand die ik kende. Was ik in Rémi veranderd en alleen op de wereld?

    Het Singel lag in een mist waar de lichtjes in de bomen nog maar net doorheen kwamen. Op een van de huizen stond een enorme, fraai verlichte kerstbal en de brug naar de Leidsegracht was tot een regenboogbrug omgetoverd.

    Een met lichtjes opgetuigde rondvaartboot voer eronderdoor. En overal om me heen waren mensen die ik niet kende foto’s van elkaar en van zichzelf aan het maken.

    Maar de Herengracht was verlaten. Geen mens te zien. Er waren zelfs geen lichtjes. Ik liep door de mist en de heerlijke stilte en merkte dat ik zachtjes te fluiten liep.

  8. Een brug zoals alle andere

    Omdat we de Gerard ­Revebrug wilden zien, namen we de 3 en stapten bij de Tweede Van der Helststraat uit. Vanaf de Ceintuurbaan is het een mooi wandelingetje naar het Zuider Amstel­kanaal.

    Van Ostadestraat, Rustenburgerstraat, Karel du Jardinstraat, ­Lutmastraat, Pastelstraat en daar heb je de Jozef Isra­elskade, bij ­velen beter bekend als de ­Schilderskade.

    Je komt langs het terrein waaraan je kunt zien dat vroeger hier de oude RAI gestaan heeft, met zijn veilinghuis, kantine en zijn houten sportvelden, waarop het gevaarlijk sporten was. Je komt langs een winkel waar ze puzzels voor je zagen, en als je goed oplet zie je aan het einde van de Lutmastraat de toren van de Vredeskerk aan het Cornelis Troostpleintje.

    En toen waren we bij de brug, de Gerard Revebrug, maar er was niks aan te zien. Het was een doodgewone brug, een brug als ­alle andere. De naam is nog niet op de brug aangebracht en dat blijkt dus het verschil.

    Door een naam bekijk je een brug met andere ogen, wordt het een andere brug. De Rosa Overbeekbrug is een andere brug dan de naamloze brug die eraan voorafging. Op de Rosa Overbeekbrug denk je onherroepelijk aan Rosa, aan Kees de Jongen, aan Theo Thijssen, zoals je op op de Gustav Leonhardtbrug het strenge clavecimbel van Gustav Leonhardt zult horen en op de Gerard Revebrug aan ­Reve zult denken.

    Een van de mooiste bruggen van de stad, het elegante bruggetje dat de Hortus met het Hortusplantsoen verbindt, is ­vernoemd naar Johan van Hulst, kinderredder. Dat bruggetje is aan een kant dicht. Daar moet iets op gevonden worden, want voor een kinderredder geeft een brug met een hek geen pas.

  9. Niet zomaar een barjuffrouw

    Er zijn mensen van wie je denkt dat ze al heel lang dood zijn, Patachou, ­Annie de Reuver, Janus van der Zande. Tot je leest dat ze gisteren zijn overleden, waardoor ze met terugwerkende kracht twintig of vijfentwintig jaar langer leven krijgen toebedeeld, een ­verwarrende ervaring.

    Het omgekeerde is ook mogelijk. Iemand is uit je blikveld verdwenen, maar zonder dat je er veel aandacht aan besteed, leeft ze ­rustig voort. Ze doet haar boodschappen, leest een boek, maakt een praatje met de buurman. Ze gaat nog wel eens naar de bioscoop en komt nog wel eens in een café. Maar niet meer zoals vroeger, toen je elkaar nog wel eens ­tegenkwam en je met elkaar over vroeger praatte.

    En dan is er iemand die zegt dat Martha dood is. “Al acht jaar, wist je dat niet?”

    Nee, dat wist ik niet. Ik had haar jaren niet gezien, maar ik zie zo veel mensen niet. Niet iets om je zorgen over te maken. En nu blijkt dat ik haar nooit zag omdat ze er niet meer was. Dood, zonder dat ik er iets van af wist, het kan haast niet waar zijn.

    Martha stond achter de bar in ­café de Pool, in de Oude Hoogstraat. Niet zomaar een café en niet zomaar een barjuffrouw. Henk Spaan schreef een gedicht voor haar met de regels: ‘De kalme klaarte van je oog/ houdt het mijne nauwelijks droog./ Oh Martha my dear, tap door/ tap door dat bitt’re bier.’

    Na sluitingstijd ging ik met haar naar Chez Nelly, waar we de nacht verlengden tot de vroege ochtend om ons bij Col Auto te laten uitschelden door Riekie, een andere legendarische barkeepster, en ook al jaren dood.

  10. Iedere espressobar zijn eigen papegaai

    ‘Papegaaien, papegaaien, het vlagvertoon van verre landen.’ Dat is van Louis Lehmann. Milano in de Leidsestraat was, meen ik, de eerste ­espressobar in Amsterdam.

    Het verhaal ging dat zich daar dames van middelbare leeftijd ophielden die graag opgepikt wilden worden door jongens, een verhaal dat ook over Formosa werd verteld.

    Ik ben er nooit geweest, in Milano, in ­Formosa wel, samen met mijn moeder.

    De eerste espressobar die ik ­bezocht, bevond zich op de hoek van Dam en Rokin. Een vriendin zorgde er voor de espresso en ­cappuccino, die niet alleen verbazingwekkend lekker was, maar gratis bovendien, een reden ­temeer om vaak langs te komen.

    Niet veel later zag je overal in de stad espressobars. In de espressobar op de Keizersgracht, waar nu restaurant Greenwoods zit, werd de scepter gezwaaid door de ­vriendin met wie ik in het midden van de jaren zestig het leven deelde.

    De espressobar maakte deel uit van een bescheiden keten en in die keten had iedere espressobar zijn eigen papegaai die krijsend op zijn stok pinda’s zat te pellen. De baas van de keten wilde dat mijn vriendin zijn bedrijfsleider werd, maar ze had een hekel aan papegaaien.

    Arie Meijer, die u misschien niet kent maar ik wel, vertelde me eens dat zijn moeder die in 1928 of daaromtrent in de Molensteeg woonde iedere morgen als ze naar school ging in de Zandstraat, ‘een lief en vrolijk kind, een zonnetje in een straatje waar de zon nooit schijnt’, langs een papegaai kwam.

    “Dag Lorre,” zei ze dan, waarop de papegaai iedere morgen antwoordde met “Krijg de kolere.” “Het moet een akelig beest geweest zijn,” zei Arie.