live

Klein geluk in Amsterdam: Een snel uitstapje naar Toledo

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Een oude foto met mensen erop

    Alsof we niks beters te doen hadden, zat ik met een vriend te kletsen over niks en van alles. Ik vertelde hem over de schandlijst van Amnesty International, waarop ik als Parool-columnist een plaatsje had gekregen tussen populisten, roepende minderheden, homohaters en boze witte mannen, en mij gevraagd werd het nieuwe jaar te proberen ‘minder te benadrukken wat ons verdeelt en meer oog te hebben voor wat ons bij elkaar brengt’. Een en ander in een advertentie die mede betaald was van mijn bijdrage aan de club, alstublieft, dank u wel.

    Mijn vriend vertelde me over de film die hij aan het maken is, ik bracht de schrijfwijze van de titel van het boek Kees de jongen van Theo Thijssen ter tafel, en ineens ging het over de foto’s die Ed van der Elsken maakte tijdens jazzconcerten, zoals verzameld in het boek Jazz.

    “Ken je dat?” vroeg mijn vriend.

    Natuurlijk kende ik dat, prachtig boek over een prachtige tijd. “Ik heb vaak zitten kijken of ik mezelf nog ergens in het publiek zag zitten,” zei ik. “Maar nee dus.”

    Ik kan het niet laten, als ik een oude foto zie van Amsterdam met mensen erop, kijk ik of ik mijn vader of moeder misschien zie, of mezelf. Laatst nog stond een foto van de Kalverstraat anno 1950 in de krant.

    Ik zag de schoenenwinkel van Van Haren, de reusachtige Parkervulpen aan de gevel van Akkerman, de Arrowwinkel, ik zag tientallen mannen met hoeden in lichte regenjassen, vrouwen met hoedjes en omgeknoopte sjaaltjes, ik zag een auto en fietsen, maar mijn moeder met mij aan haar hand, zag ik niet.

  2. Alleen op de wereld

    Ik was De Zwart binnengelopen wegens dorst, maar ik moest nog even geduld hebben omdat de barkeeper bezig was zo’n uit een afwasmachine afkomstig rek met koppen en schotels uit te ruimen. Terwijl hij bezig was, keek ik om me heen. Niks bijzonders te zien. Vrijwel alle tafeltjes bezet, een man of vijf aan de bar, iedereen in gesprek, dat was het wel zo’n beetje.

    De barkeeper was uitgeruimd en had me een glaasje ingeschonken toen ik nog eens om me heen keek en het plotseling tot me doordrong hoeveel mensen er wel niet zijn die je niet kent.

    Er zaten zevenentwintig mensen in De Zwart, mezelf niet meegerekend, en ik kende er niemand van. Allemaal vreemden die ik als ik zo dadelijk de deur uitging nooit meer zou zien.

    Nadat ik had afgerekend, liep ik de Heisteeg in. Bij Koekmakerij Van Stapele, waar ze een soort chocoladekoeken verkopen, zag ik door de etalageruit, stond een enorme rij, net als bij Frietsteeg aan de overkant.

    In geen van beide rijen stond iemand die ik kende. Was ik in Rémi veranderd en alleen op de wereld?

    Het Singel lag in een mist waar de lichtjes in de bomen nog maar net doorheen kwamen. Op een van de huizen stond een enorme, fraai verlichte kerstbal en de brug naar de Leidsegracht was tot een regenboogbrug omgetoverd.

    Een met lichtjes opgetuigde rondvaartboot voer eronderdoor. En overal om me heen waren mensen die ik niet kende foto’s van elkaar en van zichzelf aan het maken.

    Maar de Herengracht was verlaten. Geen mens te zien. Er waren zelfs geen lichtjes. Ik liep door de mist en de heerlijke stilte en merkte dat ik zachtjes te fluiten liep.

  3. Een brug zoals alle andere

    Omdat we de Gerard ­Revebrug wilden zien, namen we de 3 en stapten bij de Tweede Van der Helststraat uit. Vanaf de Ceintuurbaan is het een mooi wandelingetje naar het Zuider Amstel­kanaal.

    Van Ostadestraat, Rustenburgerstraat, Karel du Jardinstraat, ­Lutmastraat, Pastelstraat en daar heb je de Jozef Isra­elskade, bij ­velen beter bekend als de ­Schilderskade.

    Je komt langs het terrein waaraan je kunt zien dat vroeger hier de oude RAI gestaan heeft, met zijn veilinghuis, kantine en zijn houten sportvelden, waarop het gevaarlijk sporten was. Je komt langs een winkel waar ze puzzels voor je zagen, en als je goed oplet zie je aan het einde van de Lutmastraat de toren van de Vredeskerk aan het Cornelis Troostpleintje.

    En toen waren we bij de brug, de Gerard Revebrug, maar er was niks aan te zien. Het was een doodgewone brug, een brug als ­alle andere. De naam is nog niet op de brug aangebracht en dat blijkt dus het verschil.

    Door een naam bekijk je een brug met andere ogen, wordt het een andere brug. De Rosa Overbeekbrug is een andere brug dan de naamloze brug die eraan voorafging. Op de Rosa Overbeekbrug denk je onherroepelijk aan Rosa, aan Kees de Jongen, aan Theo Thijssen, zoals je op op de Gustav Leonhardtbrug het strenge clavecimbel van Gustav Leonhardt zult horen en op de Gerard Revebrug aan ­Reve zult denken.

    Een van de mooiste bruggen van de stad, het elegante bruggetje dat de Hortus met het Hortusplantsoen verbindt, is ­vernoemd naar Johan van Hulst, kinderredder. Dat bruggetje is aan een kant dicht. Daar moet iets op gevonden worden, want voor een kinderredder geeft een brug met een hek geen pas.

  4. Niet zomaar een barjuffrouw

    Er zijn mensen van wie je denkt dat ze al heel lang dood zijn, Patachou, ­Annie de Reuver, Janus van der Zande. Tot je leest dat ze gisteren zijn overleden, waardoor ze met terugwerkende kracht twintig of vijfentwintig jaar langer leven krijgen toebedeeld, een ­verwarrende ervaring.

    Het omgekeerde is ook mogelijk. Iemand is uit je blikveld verdwenen, maar zonder dat je er veel aandacht aan besteed, leeft ze ­rustig voort. Ze doet haar boodschappen, leest een boek, maakt een praatje met de buurman. Ze gaat nog wel eens naar de bioscoop en komt nog wel eens in een café. Maar niet meer zoals vroeger, toen je elkaar nog wel eens ­tegenkwam en je met elkaar over vroeger praatte.

    En dan is er iemand die zegt dat Martha dood is. “Al acht jaar, wist je dat niet?”

    Nee, dat wist ik niet. Ik had haar jaren niet gezien, maar ik zie zo veel mensen niet. Niet iets om je zorgen over te maken. En nu blijkt dat ik haar nooit zag omdat ze er niet meer was. Dood, zonder dat ik er iets van af wist, het kan haast niet waar zijn.

    Martha stond achter de bar in ­café de Pool, in de Oude Hoogstraat. Niet zomaar een café en niet zomaar een barjuffrouw. Henk Spaan schreef een gedicht voor haar met de regels: ‘De kalme klaarte van je oog/ houdt het mijne nauwelijks droog./ Oh Martha my dear, tap door/ tap door dat bitt’re bier.’

    Na sluitingstijd ging ik met haar naar Chez Nelly, waar we de nacht verlengden tot de vroege ochtend om ons bij Col Auto te laten uitschelden door Riekie, een andere legendarische barkeepster, en ook al jaren dood.

  5. Iedere espressobar zijn eigen papegaai

    ‘Papegaaien, papegaaien, het vlagvertoon van verre landen.’ Dat is van Louis Lehmann. Milano in de Leidsestraat was, meen ik, de eerste ­espressobar in Amsterdam.

    Het verhaal ging dat zich daar dames van middelbare leeftijd ophielden die graag opgepikt wilden worden door jongens, een verhaal dat ook over Formosa werd verteld.

    Ik ben er nooit geweest, in Milano, in ­Formosa wel, samen met mijn moeder.

    De eerste espressobar die ik ­bezocht, bevond zich op de hoek van Dam en Rokin. Een vriendin zorgde er voor de espresso en ­cappuccino, die niet alleen verbazingwekkend lekker was, maar gratis bovendien, een reden ­temeer om vaak langs te komen.

    Niet veel later zag je overal in de stad espressobars. In de espressobar op de Keizersgracht, waar nu restaurant Greenwoods zit, werd de scepter gezwaaid door de ­vriendin met wie ik in het midden van de jaren zestig het leven deelde.

    De espressobar maakte deel uit van een bescheiden keten en in die keten had iedere espressobar zijn eigen papegaai die krijsend op zijn stok pinda’s zat te pellen. De baas van de keten wilde dat mijn vriendin zijn bedrijfsleider werd, maar ze had een hekel aan papegaaien.

    Arie Meijer, die u misschien niet kent maar ik wel, vertelde me eens dat zijn moeder die in 1928 of daaromtrent in de Molensteeg woonde iedere morgen als ze naar school ging in de Zandstraat, ‘een lief en vrolijk kind, een zonnetje in een straatje waar de zon nooit schijnt’, langs een papegaai kwam.

    “Dag Lorre,” zei ze dan, waarop de papegaai iedere morgen antwoordde met “Krijg de kolere.” “Het moet een akelig beest geweest zijn,” zei Arie.

  6. Clubs waar ik geen lid van was

    In Arti et Amicitiae, de ­kunstenaarssociëteit op het Rokin waar ik van de week een afspraak had, hangt een prachtige Breitner.

    Als ik bij Arti binnen kom, wat niet vaak gebeurt, loop ik altijd meteen naar het schilderij, dat breed en statig tegenover de ingang hangt. Twee voor een kar gespannen zwarte paarden rijden door de sneeuw over een gracht, natte sneeuw lijkt het wel.

    Het licht valt niet lekker op het schilderij, waardoor je de neiging hebt steeds van standpunt te ­veranderen in de hoop dat je er een beter zicht op krijgt. Het voordeel is dat je zo steeds andere ­dingen ziet. De knappe jonge vrouw op de voorgrond bijvoorbeeld die een rozerode sjaal heeft omgeslagen. Of de ramen van de huizen op de achtergrond.

    Nog niet zo lang geleden had ik het met onze kleindochter over clubs waar ik geen lid van was. Toen we langs Arti kwamen, zei ik: “Kijk, hier heb je zo’n club waar ik geen lid van ben.” Op het Leidseplein gekomen, wees ik haar De Kring en vertelde haar dat ik van De Kring ook nooit lid was ­geweest.

    Op dat moment begon een ­medepassagier zich met ons ­gesprekje te bemoeien. “Maar U had er wel lid van kunnen ­worden?” zei hij. Wat ik bevestigde. “En het Boekenbal,” zei de man, “zou u daar heen kunnen?” “Jazeker,” zei ik. “Maar u gaat niet,” zei de man. “Zo is het­ ­precies,” zei ik. Waarop we allebei moesten lachen.

    Ik ken iemand die regelmatig heel veel dingen niet koopt. “Wat ik vandaag allemaal niet gekocht heb,” zegt ze dan, “een deegroller, een kaarsensnuiter, een thee-ei, een paard en wagen.” Het is ­anders maar toch een beetje hetzelfde.

  7. Albeton en troosteloze speeltoestellen

    Vandaag ben ik ‘t Slootje maar eens in gelopen. De sleuf die Admiraal de Ruyterweg en Reinier Claeszenstraat verbindt, heeft geen naam, maar heet zolang ik me herinner, en dat is best lang, ­‘t Slootje.

    Ik kom er vaak langs en denk: ‘Hoe zou ‘t Slootje er bij liggen?’ Maar als ik naar binnen wil gaan, zie ik het deprimerende hek met al die voorschriften en zie ik er vanaf. Tot vandaag.

    ‘t Slootje was de geheimzinnigste plek van mijn jeugd. Om er te komen, moest er een expeditie worden uitgerust, want ‘t Slootje was niet alleen ver weg, maar ­bevond zich ook in verboden gebied, want aan de andere kant van de Admiraal de Ruyterweg, waar wij jongens van de Bos en Lommer niet mochten komen.

    Als we op de Krommerdt kwamen, werden we als vanzelf stil. Het was zaak om niet te veel de aandacht op je te vestigen, anders kon het wel eens slecht aflopen. Een voor glipten we tussen de ­bomen door ‘t Slootje in, waar het altijd donker was, want de zon kon hier niet komen.

    De ondergrondse rivier die hier even zichtbaar werd, zat vol kikkers en salamanders en ook kon je op vijandelijke bendes stuiten, schorum uit de Chasséstraat en de Van Speijk die stokken met spijkers bij zich hadden, en nou dan wist je het wel.

    ‘t Slootje was een avontuur, zo spannend, dat we als we eenmaal in de Reinier Claeszen stonden, opgelucht adem haalden. Het enige wat nog aan dat avontuur herinnert zijn drie eenzame wilgen. Verder is het al beton en troosteloze speeltoestellen in ‘t Slootje waar voor zover ik weet, geen kind zich nog horen laat.

  8. Elk met zijn eigen toren

    Op de kruising van de Okeghemstraat en de Lomanstraat ligt een pleintje. Op dat pleintje zag ik laat in de avond twee loopfietsjes staan. Ook stond er een stoeltje en lag er een roerloze bal. Het was alsof de peuters die er mee hadden gespeeld nog maar net naar bed waren.

    Aan de rand van het pleintje ligt een hoge stenen stoep die naar een huis met een torentje voert. Toen de deur boven aan de trap openging, kwam als in een sprookje Jaap naar buiten om de trap af te dalen.

    Wij, we waren met zijn vijven, met meer vrouwen dan mannen, liepen naar zijn auto. “Gelukkig,” zei ik toen we instapten, “een vierdeurs.” “Hoezo gelukkig?” zei Jaap. “Ik hou niet van tweedeurs auto’s,” zei ik.

    “Dat had mijn ex ook,” zei een van de dames. “Hij nam nog liever de tram dan dat hij in tweedeurs auto stapte.”

    “Wat voor auto had hij zelf?” vroeg een van de andere dames. Het antwoord liet zich raden.

    Een auto is een geheimzinnig middel van vervoer dat alle geluid van de buitenwereld buitensluit. Je ziet de uitbundige lichtjes van de stad, je ziet de auto’s, de schepen, de trams, maar alles glijdt in stilte voorbij.

    Er was iemand dood. Vlak voordat de dode overleed, had de ­begrafenisondernemer opgebeld om te vragen of het een beetje ­opschoot, want het duurde wel erg lang. “Wat God niet geeft, geeft Perry,” zei Jaap, waarna we stopten bij het huis met de toren waar een van ons woont.

    Zodat twee huizen, elk aan een kant van de stad en elk met zijn eigen toren voor even met elkaar verbonden werden.

  9. Het kon altijd erger

    Vanaf het terras kun je de Marathontoren van het Olympisch Stadion zien, wat ik om de een of ­andere reden een geruststellende gedachte vind. Er komen Boeings over en reigers en wij, aardige jongens, hadden het over de vraag wat we indertijd erger hadden gevonden, Toon Hermans of Wim Kan.

    Mijn vader hoorde tot de mensen die dachten dat ‘Toon’ zoals de ­komiek liefkozend genoemd werd, zich tijdens zijn conference speciaal tot hen richtte. Dat schiep een band en nog weken na Carré kreeg je de gehaktbal uitgeserveerd.

    Een voordeel van ‘Toon’ was dat je er niet naartoe hoefde. Wim Kan daarentegen kwam ongevraagd binnen, bij voorkeur op oudejaarsavond. Twee dagen later stonden al zijn grappen in de krant, en een week later nog eens in de Vara Gids. Met uitleg, want de grappen van Wim Kan waren met uitleg nog leuker.

    Mijn vriend vertelde dat zijn moeder steno had gestudeerd en tijdens de conference meeschreef, zodat ze de grappen in de komende weken ­letterlijk kon herhalen. Hetgeen ze ook deed.

    Het kon altijd erger, besloten we, waarna Jan het verhaal vertelde van de schoenmaker die met ­pensioen ging. Ter verzoling had hij zijn schoenen naar de schoenmaker gebracht. Op een vrijdag. Maar toen hij ze op dinsdag kwam ­halen, bleek de schoenmaker ­gesloten.

    Op woensdag zat de ­winkel nog steeds dicht. Op ­donderdag belde hij maar eens aan. “Mijn man is op zaterdag met pensioen gegaan,” had de vrouw van de schoenmaker gezegd. “En je schoenen?” vroeg ik. Die had hij teruggekregen.

  10. Met een mond vol tanden

    Toen het aardige meisje bij de Java Kitchen op de Ceintuurbaan dat me altijd vertelt dat er geen mihoen is me onlangs mijn tasje met lekker eten overhandigde, zei ze met een brede glimlach: “Salamat makan.” En stond ik ineens met een mond vol tanden, want daar had ik niet van terug.

    Mijn Maleis beperkt zich tot een paar woorden, orang-oetan, adat, mataglap, kassi-an, als dat al Maleis is, en een guitig, op zijn tante Liens uitgesproken adoe als in de zin: “Adoe, wat heb jij een gek hoedje op.”

    Plannen om naar Indonesië te gaan heb ik niet, dus heeft mijn kennis van het Maleis me altijd ­afdoende geleken, maar nu lag dat ineens anders.

    Enkele dagen later wist ik wat me te doen stond. Op de tafel ‘Gratis Mee Te Nemen’ van het Niod vond ik een uit 1945 stammend boekje met een ‘eenvoudige cursus Maleis,’ die begon met de zin ‘Saja tidoer’, ik slaap, een sterk begin.

    Na een week zelfstudie waagde ik het erop en begaf me naar de Java Kitchen. Onderweg voelde ik mij als Ome Piet de secretaris van Klaverjasclub Schoppen Negen die in verband met het weekje naar Parijs al weken van vooruit in zijn eentje Frans zat te leren, en u weet hoe dat afliep.

    Eenmaal in de Java Kitchen haalde ik diep adem en zei: “Saja maoe satoe makan, dengan mihoen, silakan,” en wachtte toen de gebeurtenissen af.

    Het aardige meisje van de Java Kitchen keek me enige tijd ongelovig aan en slaakte toen een kreetje van verbazing. “Salamat makan,” zei ze toen ik wegging. “Terima kassi,” zei ik. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

  11. Hartevelt voor de beverd

    ‘Ik kom de kerstversiering inspecteren,” zei ik toen ik binnenkwam in het café waar ik kom sinds ik weer in een café kom. “En?” zei ­Rina die in kerstjurk achter de tap stond. “Prachtig,” zei ik uit het diepst van mijn hart. “Als het hangt lijkt het niks,” zei Rina, “maar we zijn er drie dagen mee bezig geweest.”

    Er kwam een vrouw binnen die De Echo en een nieuwjaarswens in haar hand hield. “Ik kom gratis De Echo brengen,” zei ze. “Ik heb de hele wijk, dus het is een kleine moeite om hier iedere week even langs te lopen en gratis De Echo te brengen.”

    Ze legde Echo en nieuwjaarswens op de bar, wachtte even en vertrok toen. “Maak ‘m een beetje,” zei Rina, “een keer per jaar De Echo brengen en gelijk een fooi willen.” “Volgens mij,” zei Cor, “staat die gozer met loempia’s op de markt.” “Het was een vrouw, Cor,” zei ­Rina.

    Er kwam een vrouw binnen die me werd voorgesteld als Juf Netjes. “Dat komt, ze komt niet uit Amsterdam,” zei Rina, “en ze is nogal netjes.”

    Juf Netjes had een bon voor een week gratis sportschool. Ze aarzelde of het doen zou. “Waarom gaan mensen eigenlijk naar de sportschool?” wilde ze weten. “Voor een sixpack,” zei Rina.

    Toen het tijd werd om er nog een te nemen, bestelde ik een jonkie. “Hartevelt of Ketel?” zei Rina. “Doe maar Hartevelt,” zei ik. “Voor de beverd.”

    Juf Netjes keek me niet begrijpend aan. “Peter van Straten was een van de laatste die nog wist wat het was, en nou is ie dood. Laten we deze dus op hem drinken, en hopen op de beverd.”

  12. Een dubbeltje voor de erepoort

    De Döner Kebab op station Sloterdijk doet mij denken aan het Anne Frank Huis. In die zin dat er altijd een rij staat en dat die rij altijd lang is. Zo’n rij maakt nieuwsgierig.

    Je denkt al gauw dat er iets heel lekkers verkocht moet worden om zo’n rij te rechtvaardigen. Als je eenmaal op dat pad zit, staat achter aansluiten voor de deur, maar de rij is zo lang dat het er tot op heden niet van is gekomen.

    De uitgang van het station bleek opgesierd door een ereboog van kleurige ballonnen. Achter de boog was het beton van de loopbrug in vrolijk gekleurde banen geschilderd die weer naar een ­ballonnenpoort leidden.

    Bij de tweede poort scheidden onze ­wegen zich, omdat zij de trap nam en ik de lift. “Er kwam net een man naar me toe,” zei ik toen we elkaar beneden weer gevonden hadden, “die een dubbeltje vroeg voor de erepoort.” Mijn vrouw keek me ­onderzoekend aan. Ze kent me al een tijdje, maar toch aarzelde ze. “Echt waar?” zei ze ten slotte.

    Nee, natuurlijk niet! Het was maar een verwijzing, naar de ­legendarische Kronkel van Simon Carmiggelt waarin een man een dubbeltje vraagt voor een niet ­bestaande erepoort.

    Op dat moment schoot me de Sportvlag van Amsterdam te ­binnen. Mijn vriend en ik liepen op het Damrak, het zal 1960 zijn geweest, toen er ineens een man voor ons opdook die me een vlaggetje op de borst prikte.

    “De Sportvlag van Amsterdam,” zei hij, “je mag geven wat je wilt.” Ik gaf hem een kwartje, wat mijn laatste kwartje bleek, zodat we geen geld meer hadden voor de tram en moesten ­lopen naar Buitenveldert.

  13. De nummers 28, 30 en 32

    Als je de Swammerdamstraat uit loopt in de richting van de Blasiusstraat kom je vlak voor de Blasiusstraat op een pleintje. In Parijs zou zo’n pleintje een eigen naam krijgen, maar hier blijft het gewoon de Swammerdamstraat. Vanaf het pleintje kijk je op drie vrijwel identieke huizen met van rechts naar links de nummers 28, 30 en 32.

    28 is een winkel geweest, de ­etalage op de begane grond laat daarover geen twijfel. In de vensterbank van de etalage stond een ingelijste foto, zag ik. Toen ik de foto van dichtbij bekeek bleek het een foto van de huizen op de nummers 28, 30 en 32 in de Blasiusstraat, zodat ik plotseling deel uit maakte van een merkwaardig Droste-effect.

    De foto dateerde uit de jaren vijftig. Er reed een auto uit die dagen voorbij en op de hoek van de Swammerdamstraat en de Blasiusstraat stond een jongen aan een bromfiets te sleutelen. Op 28 zat een melkboer, ‘Zuivelproducten,’ stond er op de ruit en ‘Melkinrichting’.

    Voor de deur stond een vrachtwagentje van de De Onderlinge Vereeniging van Veehouders tot Verkoop van Zuivere Koemelk geparkeerd en mannen waren bezig kratten met flessen melk uit te laden. Welke kleur had de dop van een melkfles ook alweer?

    Bij de buren op nummer 30 had een kantoorboekhandel annex tijdschriftenwinkel gezeten zo te zien. En op 32 was niks. Of toch. Achter het ruitje boven de deur zat de krant met de tekst ‘1 van de 21.622 huizen waar Joden woonden die in de 2e wereldoorlog werden vermoord.’

    Hier woonde Elias van Leeuwen met zijn dochters Maria en Louise Rebecca en zijn zoon Louis. Het gezin werd in Sobibor vermoord. De vader op 9 april, de kinderen op 4 juni 1943.

  14. De dame met het hondje

    Bij antiquariaat Feniks hadden we het over Hanny Michaelis. Ik ben Lenteloos voorjaar, haar oorlogsdagboek, aan het lezen, en dat is niet niks. Vooral doordat er zoveel gewone dingen in staan. Zo gaat Hanny vaak zwemmen met haar vrienden en vriendinnen. In het zwembad zijn twee zonnevelden, een voor de meisjes en een gemengd. Precies zoals ik me herinner van het Mirandabad. Waar Hanny en haar vrienden ook zwommen, neem ik aan, al noemt ze de naam van het zwembad niet en was het toen nog niet naar De Miranda vernoemd.

    “Als ze wilden, konden de meisjes naar ons toe komen,” zei ik, “maar op hun zonneveld mochten wij niet komen.” “Stond er een hek of zo?” zei Marcel, “Welnee,” zei ik, “er hing gewoon een bordje, dat was afdoende.”

    Even later werd me vanaf het pleintje voor de oud-katholieke Petrus en Pauluskerk aan de Ruysdaelstraat iets toegeroepen door een dame met een hondje. “Valt dat niet onder het sisverbod,” dacht ik, maar toen schoot me het gemengde zonneveld van het ­Amstelbad te binnen en kneep ik in mijn remmen.

    De dame met het hondje wou ­zomaar even een praatje maken, over Duivelseiland en Harmoniehof, Roger Martin du Gard en ­Marcel Proust. Daarna ging ieder zijns weegs, zij met haar hondje en ik naar mijn uitgever, die me vertelde dat Klein geluk, het boek, de musical komt volgende jaar, ­herdrukt werd.

    Om het te vieren trakteerde ik mezelf op een kroket. Toen de ­kroket klaar was, kwam de krokettenbakker hem mij voor de toonbank aanreiken. “Als ik buiten op het bankje zit, vergeten jullie me altijd,” zei ik. “Soms,” zei hij, “is uit het oog ook uit het hart.”

  15. Een kameel in de Paleisstraat

    Het fotoboek Amsterdam 1895-1937 is een geheimzinnig boek. Het begint met foto’s uit de periode 1895-1897. Die zouden volgens het summiere voorwoord zijn gemaakt door de fotograaf Taconis.

    Maar Krijn Taconis werd in 1918 geboren, dus dat lijkt onwaarschijnlijk. Wie de fotografen zijn voor de perioden 1922-1925 en 1932-1937 wordt niet vermeld, is misschien ook niet bekend.

    Van de foto’s uit 1932-1937 gaan er dertien in een dozijn. Besneeuwde brug bij avondlicht, lantarenpalen in de mist, het Kolkje in de ochtendstond, dat werk. De foto’s uit de periode 1922-1925 zijn opmerkelijk.

    Een bootje op de Amstel bij het Weesperpoort-­station, de Nieuwmarkt met een jongen in zijn zondagse pak met das en pochet, een strohoed op zijn kop en nieuwe schoenen, de pont over het IJ.

    De foto’s uit de periode 1895-1897, ten slotte, zijn een belevenis. Ze zijn zo vol leven en beweging, dat ik regelmatig het gevoel had deel van de foto uit te maken.

    Er is een foto van de Leidsestraat die je inkijkt vanaf nummer 80, de hoek met de Prinsengracht, en wat je allemaal niet ziet: heren met hoeden en mannen met petten, koetsjes en paard en wagens, een fietsende vrouw die gehuld gaat in een enorme zwarte cape, haar lange haren over haar rug gedrapeerd, muuraffiches, een vleeschhouwerij, het Magazijn Willem de Zwijger, een handkar met serviesgoed, een bedelaar die nederig de handen vouwt voor een dame met een parasol, en nog veel, veel meer.

    Op een foto van de Paleisstraat loopt een kameel voorbij, aan de teugel meegevoerd door een man in een djellaba met tulband. Een kameel in de Paleisstraat, ook toen al was alles mogelijk in Amsterdam.

  16. Een hele sluis voor een bootje

    We stonden op het pontje over het IJ en keken onze ogen uit. Overal lichtjes en vlakbij kwam de enorme Atlantis voorbij op de hielen gezeten door een iets bescheidenere Stormvogel. De maan stond hoog, de zon daalde naar de overkapping van het CS, alles was fluweel.

    Toen we de vaste wal weer onder de voeten hadden, liepen we langs de Stichting Bevordering Educatie Vrachtzeilvaart naar het fiets- en wandelpad dat tussen allerlei hekken door naar de Willemsluizen voert.

    De grote sluis was leeg, maar er lag een bootje te wachten, een klein zeilschip met gestreken mast en een roeiboot aan een touwtje. We waren de sluis nog niet over of het schutten nam een aanvang. Een hele sluis voor een bootje, dat bovendien een BZN bleek, de boot zonder naam, maar wel met een fiets aan boord.

    Tussen de tuinen door liepen we over het kinderhoofdjespad van Buiksloterweg naar Buiksloterweg en gingen richting Tolhuis.

    De zon lag nu op het CS. Een bord bij café de Pont zei dat ze open waren. Vanaf ons tafeltje aan het raam keken we uit op Mirella’s Oliebollerie die ook Delicatesse Specialist bleek.

    Door een raam met het woord ‘overkant’ erboven zag je de overkant van het IJ. “Als je vroeger vanuit Noord naar de stad wilde, werd hier je pas gestempeld,“ zei ik.

    Toen de vriendelijke serveerster onze consumpties bracht, wees ik op de maan en vroeg of ze het woord ‘maankant’ boven het raam kon laten aanbrengen.

    “Komt goed,” zei ze. Niet veel later bracht ze de menukaart, waarop ‘Gasconse biefstuk met bundelzwamjus’ werd aangekondigd. “Ik denk,” zei ik, “dat we er nog maar eentje moesten nemen.”

  17. Voor een passage best wel kort

    We gingen naar de Nieuwendijk om de Beurspassage te bekijken. Bij Van der Linde aarzelde de ijsliefhebster aan mijn zijde. Zou ze of zou ze niet? “Best sweets in town,” zei een vrouw die haar fiets wegzette, waarmee die kous af was. Nu de passage nog.

    Eerst passeerden we twee kaaswinkels, toen liepen we bijna bij een warenhuis naar binnen, daarna bleek ik het toch wel jammer te vinden dat de C&A-­passage was verdwenen en vervolgens stonden we voor de nagelnieuwe passage die Nieuwendijk en Damrak met elkaar verbindt.

    Ik durfde er bijna niet in, zo ­deftig zag het er binnen uit. Al dat gemarmerde steen en die fresco’s langs de muren en aan de plafonds, het leek de laatgotiek van de renaissance wel. “De lampen,” sprak de ijsliefhebster die ook van lampen weet, “zijn gemaakt van fietsonderdelen, van oude fietsen uit de gracht.”

    Aan het einde van de passage die voor een passage best wel kort is, kwamen ons twee vrouwen tegemoet. “De lampen,” zei de ene ­tegen de ander, maar hoe haar zin verder ging, kon ik door het passagerumoer niet verstaan.

    Over de Nieuwendijk liepen we langs diverse kaaswinkels naar
    de andere nieuwe passage, de IJ-passage in het Centraal Station.

    Daar rook het niet alleen naar de P.C. Hooft, het zag er ook zo uit. Bij Claudia Sträter, Victoria’s Secret, Kiko Milano, Little Delirium, Kyoto Sushi, Cheese and more kon je de toekomstige leegstand al bijna ruiken.

    Maar achter het CS wachtte het wonder van de nieuwe IJ-boulevard die het IJ plotseling heel dichtbij brengt. De pont naar het IJplein lag gereed. Niet geaarzeld en aan boord.

  18. De Apollolaan was iets ergs

    Door elke stad lopen geheimzinnige, onzichtbare grenzen. Wie in Parijs vanaf Porte des Lilas de rue de Belleville afdaalt, gaat langs arm en rijk en ziet van de ene straat op de andere de buurt van kleur veranderen.

    Het ene moment is alles wit, dan stap je de Maghreb binnen, dat plaats maakt voor donker Afrika en Chinatown, waarna alles samenvloeit in de rue du Faubourg du Temple. Je ziet het gebeuren, maar waarom het gebeurt?

    Mijn moeder liep graag door de Leidsestraat en door de Kalverstraat, maar op de Nieuwendijk of de Haarlemmerdijk wilde ze nog niet dood gevonden worden. Daar kwam je niet. Boodschappen voerden haar naar de uithoeken van de stad, maar de Beethovenstraat heeft ze denk ik nooit betreden.

    Misschien zat de Apollolaan ertussen, want de Apollolaan was iets ergs, je hoefde maar een keer naar Willem Parel te luisteren en je wist het. Willem Parel was de zoon en kleinzoon van een orgeldraaier en de voorzitter van het NPG, het Nederlands Parel Genootschap.

    Hij trad op zaterdagavond op in De showboat, na ­MiMoZa, en elke uitzending zei hij minstens een keer: “Niet op reageren, Lena.” En: “Waaaaterverf.” En heel Nederland zei het hem na. De tekst was: “Van wie is die tekst? Van Eli Asser!”

    Parel had met de Apollolaan een enigszins problematische relatie. Er woonden alleen maar rijke mense, rijke mensen zijn zuinig en dat merkte hij in zijn centenbakje, vandaar.

    Ik heb jarenlang getennist op de banen naast de Apollohal. Mijn ouders zijn nooit komen kijken. De schuld van Willem Parel misschien?

  19. De sleutel ligt in de Domselaerstraat

    Kent U de Domselaerstraat? De Domselaerstraat is waarschijnlijk de geheimzinnigste straat uit het toch al zo geheimzinnige oeuvre van Nescio.

    De regels, het zijn er maar een paar, die hij aan de straat gewijd heeft, zijn een mysterie. Ze zijn te vinden in het op 19 maart 1947 gedateerde verhaaltje Madame Bovary.

    In dat verhaaltje loopt hij van het Station Muiderpoort door de Domselaerstraat en dan schrijft hij: ‘Kent U de Domselaarstraat? Iets was van me afgevallen. In de Domselaar­straat nota bene. Amsterdam, l’incomparable. “Wien, Wien, ja du allein.” Alles is beter dan dat. Jammer dat U de Domselaarstraat niet kent. Anders zou U pas goed begrijpen hoe erg dat allemaal kan zijn.’

    Eerder op de dag zag hij een dame in de bus voor wie hij verzint dat ze op weg is naar haar minnaar in Amsterdam. Die dame heeft er iets mee te maken. Maar wat? De sleutel ligt in de Domselaerstraat. Die wij niet kennen. Wat in zoverre klopt, dat ik er tot voor kort nooit geweest was.

    Maar zoals ik al vreesde, een ­bezoek aan de Domselaerstraat bleek hooguit geschikt om het raadsel te vergroten. Achter me hoorde ik de treinen over de spoordijken gaan, voor me gleed in de Linnaeusstraat de 9 voorbij.

    Op de hoek met de Pontanusstraat zat ooit de Openbare voorbereidende school Lr-M, en achter de ruit van een van de aardige huizen hing een affiche met het gedicht De Dapperstraat erop, ook waren er bomen en passeerde er een ­enkele fietser.

    Maar de Domselaer­straat liet zich niet kennen en dus zou ik nooit begrijpen hoe erg dat allemaal kon zijn.

  20. Toen er in Artis nog nijlpaarden waren

    De brug met het venijnige klimmetje die de Plantage met het Entrepotdok verbindt, blijkt de Nijlpaardenbrug te heten. Het zal iets te maken hebben met de nijlpaarden die er in Artis niet zijn.

    Toen er in Artis nog nijlpaarden waren, was er geen brug en was het Entrepotdok nog een ­entrepot. Waar je niet zomaar in mocht. Er was een slagboom met een portier. Als je langs hem naar binnen liep, kwam hij zijn hok uit en informeerde waarheen je dacht te gaan. “Even kijken, meneer,” bleek geen goed antwoord.

    Maar zelfs een portier moet wel eens weg, en zo slaagde ik er uiteindelijk in een keer naar binnen te glippen. Waar zich een nieuw probleem aandiende, want er was geen weg terug. Het poortje naar de Laagte Kadijk bestond nog niet of zat op slot en de Nijlpaardenbrug moest nog gelegd worden.

    Toen onze kleindochter was ­geboren, gingen we met haar naar Artis. Ze zat in een wandelwagentje en liep af en toe een stukje. Bij de kamelen zei ik :“O kamelen, ik kan er uw geur niet velen” van Jan Hanlo en bij de leeuwen declameerde ik: “Een leeuw is eigentlijk iemand,/ Die bang is voor niemand” van de Schoolmeester. ­Onze kleindochter vond dat wel aardig.

    Na het wandelwagentje kwam het Artiskarretje, dat je trekken of duwen kan. In die dagen eindigden we altijd bij Tanja die meestal in een mist van glas en water schuilging, maar op het droge soms de kaken wijd opengeklapt hield om de kroppen andijvie te vermalen die door de oppasser in hoog tempo naar binnen werden gegooid. Nu komen wij niet meer in Artis en is Tanja dood.