live

Klein geluk in Amsterdam: Een onvergetelijke portie ossenworst

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Een onvergetelijke portie ossenworst

    Langs het Jollenpad reed ik naar de plek waar ik een rij huisjes wist te staan, direct aan het water, met voor de deur een tuin en een lange steiger. In de zomers van mijn jonge jaren bewoonde mijn moeders hartsvriendin zo’n huisje. Wij gingen daar regelmatig op bezoek.

    Tante Ans zat aan een laag tafeltje en sprak als Sint Franciscus met de mussen die in kleine groepjes samendromden aan haar voeten. Af en toe waagde een mus zich op het tafeltje en de brutaalste onder hen zaten haar in het haar of pikten een broodkruimel tussen haar lippen vandaan. Tante Ans had twee dochters van wie ik de namen was vergeten.

    Bij de huisjes aan het pad die onveranderd leken, stond een al wat oudere vrouw. “Ben je verdwaald?” zei ze. Ik legde uit waarom ik niet verdwaald was, waarop zij vroeg of ik de naam wist van de mensen waar ik als kind op bezoek kwam. “Dat is zo lang geleden,” zei ik, “die heeft u niet gekend.”

    Ik kom hier al 69 jaar,” zei de vrouw, “Ik ben hier geboren.” “Bos,” zei ik, “ze heette Ans Bos en ze was getrouwd met een politieman.”

    “Er woonde hier wel een agent,” zei de vrouw, “maar die heette Vos.” Ans Vos, en de dochters heette Marian en Yvonne.

    Omdat paviljoen Bosch aan de Nieuwe Meer op slot zat ging ik wat drinken bij café Bos, ‘sinds 1912’, op de hoek van Vaartstraat en Amstelveenseweg.

    Tijdens mijn biertje en een onvergetelijke portie ossenworst raakte ik aan de praat met een vrouw die vertelde dat ze eerst rechten had gestudeerd en toen onderwijzeres was geworden. Tegen de kinderen zei ze altijd: “Ik ben de enige juf die ook meester is.”

  2. Zij gaat jou zwaaien

    Ik heb een vriend met een ­auto. Als hij in zijn auto rijdt en mij ziet fietsen, komt hij me achterop, draait zijn raampje open en roept iets als: “Als je denkt dat je mij in de ­maling kunt nemen, moet je toch vroeger opstaan, luilenbal!”

    Ik verminder dan wat vaart, tot we op gelijke hoogte rijden, en trakteer hem op mijn riposte: “Heb ik wat je van aan, zakkenwasser die je bent.” “Je solliciteert,” roept hij dan. “O ja, en waarnaar dan wel?” ”Naar een pak op je flikkerij!” ”En wie dacht jij daar voor mee te brengen,” etcetera. Plezier verzekerd.

    Een keer, we reden in de Hondecoeterstraat ter hoogte van de ­inmiddels gesloten Melkhandel waar ze zulke lekkere broodjes verkochten, dreigde het lelijk uit de hand te lopen. Mensen in de winkel kozen partij voor mij en voor de fiets tegen de auto en zijn bestuurder, waarna enkele stratenmakers zich solidair verklaarden.

    “Het was een grapje,” riep ik, “een grapje, dat mag toch wel,” maar het was maar goed dat mijn vriend een auto had om zich uit de voeten te maken.

    In de tram gaat het ook. “Ik vind dat je dat niet kan maken,” zegt mijn geliefde met iets te luide stem, waarop ze prompt ieders aandacht heeft. “Ach mens,” zeg ik, “hou toch je kop.” “Ja, schelden, dat kan je,” zegt ze, “nou je bekijkt het maar, ik stap uit.”

    Terwijl mijn geliefde naar de uitgang beent, zegt de Afro-Nederlandse vrouw van Surinaamse afkomst met een kleurtje die alles met schrikogen heeft gevolgd: “Ik denk dat zij jou gaat zwaaien, zij gaat jou zwaaien, zal je zien.”

    Als mijn geliefde vanaf de halte naar me zwaait, schenkt de vrouw mij een glunderende glimlach: “Zie je wel,” zegt ze. “Ik wist het. Ik wist dat zij jou zwaaien ging.”

  3. Een huisje met een pannendak

    Op brug 404 over het Amstelkanaal staat op iedere hoek een huisje met een pannendak. Als je de Schilderskade af komt in de richting van de Amstel, zie je dat het in eerste huisje True Beauty is gevestigd, een skin care center.

    In het huisje aan de overkant zit een meneer aan een grote tafel met een laptopje erop in zijn eentje Mise en place te wezen. Het tweede huisje op deze kant van de brug staat leeg, en aan de overkant, Amstelkade 148 A bevindt zich Pizzeria San Marco, ‘uw vertrouwde adres in Amsterdam’.

    Toen ik als jongen op de banen bij de Apollohal tenniste, zat hier een sportwinkeltje. De man van het winkeltje bespande tennisrackets, met nylon en met kattendarm, en dat deed hij zo goed, dat je als je met een door hem bespannen racket speelde niet verliezen kon.

    Het geld voor zo’n bespanning heb ik nooit bij elkaar gekregen. Verder dan het vervangen van een of twee gesprongen snaren kwam ik niet. Maar dat ze door hem waren vervangen, hielp al.

    Het mooie van Pizzeria San Marco en is dat je je pizza ook met de boot kunt afhalen. Of dat ook gebeurt, vroeg ik aan de Italiaan die in het keukentje voorbereidingen trof voor het dagelijkse pizza bakken, maar omdat hij de vraag niet begreep, kon hij geen antwoord geven.

    Volgens de menukaart is de pizzabakker goed voor 23 verschillende pizza’s. Daar gaan we: Margherita, Capriosa, Napoli, Romana, Boromea, Americana, Cipolla, Paprika, Siciliana, Ananas, Calabresse, Vegetariana, 4 Stagioni, Tonno, Marinara, San Marco, Calzone, Amsterdam, Tropicana, Gorgonzola, 3 soorten kaas, Mozzerella, Hawai, hasta la vista.

  4. Straks was nog ver

    Het was zo’n dag dat je het liefst in het halfduister van het café met een vriend een steentje gooien zou. Het glas nooit vol, maar ook niet leeg, en zonder al te veel te zeggen.

    Streepjes op een bierviltje hielden de score bij. Af en toe bracht de barkeeper de telefoon en zei: “Elvis voor je,” niet tegen mij, maar tegen mijn vriend.

    Ik denk dat we cola met jenever dronken, de cola in zo’n kannetje, naast het hoge glas waarin diepgevroren ijsblokjes tinkelende rondjes dreven. Het glas werd vaker bijgevuld dan het kannetje, zodat cola met jenever van cola met ­jenever langzaam veranderde in jenever met cola en van jenever met cola in jenever.

    Uit de juk box kwamen Be my ­baby van de Ronettes of Where did our love go van de Supremes, Dancing in the streets misschien van Martha & The Vandellas. We rookten filtersigaretten en mijn vriend had zijn zonnebril opgehouden.

    “Dat is 18 min 9 plus 3, maakt een setje en uit,” zei hij af en toe, waarna ik een streepje zette op het bierviltje. Van tijd tot tijd namen we een biertje om het weg te spoelen.

    “We moeten straks even langs Cramm,” zei mijn vriend. Dat ­betekende dat hij iets gewonnen had met het paard waarop hij had ingezet in café Cramm op de Nieuwendijk. Maar straks was nog ver en naar Cramm kon altijd nog. Voorlopig zorgde de zon die voor de deur lag en aan de ruit hing nog voor zoveel licht dat van verkassen geen sprake kon zijn.

  5. Altijd geld in je zak

    De gelukbrengende ­halve centen, zoals ­verkocht door de postzegelwinkel bij mij om de hoek, kosten twee euro vijftig per stuk, maar voor een tientje koop je er geen vier, zoals ik schreef, maar vijf. Plus dat geluk dus.

    “Ik zal je uitleggen hoe het zit met het geluk,” zei mevrouw Parnassus. “De Surinamers zeggen: ‘Met zo’n halve cent heb je altijd iets van je voorouders bij je,’ en de Antillianen zeggen: ‘Met zo’n halve cent heb je altijd geld in je zak. Je kunt er niks voor kopen, maar het is toch geld’ – mooi hè?”

    “Prachtig,” beaamde ik. Aan de wand, tussen de duizenden postzegelalbums, hing een foto van Parnassus in een vorig bestaan. “Zie je waar het is?” zei de Parnassusmevrouw. Het oude postkantoor in de Gerard Terborgstraat, dacht ik, bijna goed, maar toch fout, want het was het voormalige hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds.

    Ik kwam er graag. Ik was dol op de rijen voor al die loketten, ­loketten voor brieven, loketten voor pakjes, voor postzegels en ­filatelie, voor aangetekende stukken, de postgiro en poste restante, en het leukst van allemaal, voor telegrammen.

    Ik stuurde vaak voor de lol een telegram om het in gedachten te volgen op zijn avontuurlijke reis. Er stonden ook tafels waaraan je plaats kon nemen om een brief te schrijven of zomaar wat te zitten. “Maar er was ook een hoop narigheid,” zei de Parnassiaanse. Het viel niet te ontkennen.

    Weer op straat raakte ik in gesprek met een jongetje met een masker dat hem als hij het opzette in Zorro veranderde. “Zorro!” riep ik geschrokken. Toen ik het poortje naar de binnentuin binnenging, rende hij naar zijn moeder en riep: “Die opa praat met me!”
    Guus Luijters

  6. Op mijn paarse postpapier

    Ik wil niet opscheppen, maar mooi dat ik wel een van de weinige mensen ben die ­zowel Lubbert van Gortel als Drika hebben gekend. Dat komt doordat ik een op een personeelsfeestje ben geweest waar ze allebei optraden. Het feestje vond plaats op de Bep Glasius, het vlaggenschip van Rederij Koppe die zijn schepen achter het Centraal Station had liggen en kantoor hield in het inmiddels verdwenen Storkhuisje.

    Op dat feestje kwamen ze de loopplank over als Henk Jansen van Galen en Annie Palmen, maar al tijdens het schutten in de Oranjesluizen hadden ze zich verkleed als Lubbert en Drika, dit wel zeggen als namaakboer en namaak vissersvrouw in verzonnen klederdracht.

    Ik zei dat ik een groot fan was en altijd naar de Boertjes van Buuten keek, maar ik geloof dat ze mij niet erg geloofden. Ik geloof dat ze zelfs dachten dat ze in de maling werden genomen, maar ik meende het. Ik hield van Boer Biet en de Bietenbouwers, van Gait Jan Kruutmoes en van Bertus Bolknak, zoals anderen van de Beatles hielden of Bob Dylan.

    Ter hoogte van Pampus zongen Lubbert en Drika hun grote hits, Bie mien op de boerderieje , waarin imitator Bertus Bolknak schapen, koeien, kippen en vrouwen imiteert, Zeg weet je dat ik trouwen ga en natuurlijk het onvergankelijke Lieve Frans ik schrijf je hier (‘op mijn paarse postpapier’) met de regels ‘Het is vanavond volle maan/ Ik heb mijn mooiste jurkje aan/ Ik zit hier bij mijn pa en moe/ Kom toch naar me toe!’

    Onlangs zei een of andere wijsneus “Als ik zeg ‘Lubbert van Gortel’, wat zeg jij dan?” Dit dus. En ik zeg: “Als ik zeg ‘Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië, Rusland, Nederland, Engeland’, wat zegt u dan?”

  7. Laatste rondvaart door nacht en gracht

    Het gebouw van Vroom & Dreesman aan het Rokin heb ik altijd een van de mooiste gebouwen van de stad gevonden. Maar als er een nieuwe eigenaar ten ­tonele verschijnt, heb je daar niets aan.

    Meedogenloos gaat de sloopkogel erin, weg schitterende glasgevel, weg uitbouwen en ornamenten, weg meesterwerk van Jan Kuijt (de architect die ook de uitzinnige kerk van Halfweg op zijn naam heeft staan).

    Niemand heeft zijn stem laten horen in een poging dit kwaad te voorkomen en nu is het te laat.

    Een eindje verderop op het ­Rokin is ook iets vreemds aan de hand. Kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae heeft zijn deuren opengegooid en laat middels grote schoolborden weten dat je er terecht kunt voor diner.

    Dat zal schrikken zijn voor al die kunstbaarden (‘De artistieke Staalkaart wordt gepresenteerd door Wim Ibo met zijn artistieke staalbaard’) die daar al sinds mensenheugenis onder elkaar waren voor bier en biljart. Zitten ze plotseling in een club waar iedereen lid van is. Is het dan nog wel een club, kan je je afvragen.

    Als ik langs Arti kom, kijk ik naar het stuk kademuur aan de andere kant van de straat, recht tegenover het kantoortje van rederij Kooij. Uit de nevelen van het verleden doemt een meisje op, een jonge vrouw met donker haar en donkere ogen die haar voeten boven het water bungelen laat, terwijl ze een Dunhill blauw met filter rookt.

    Ik gids een laatste rondvaart door nacht en gracht en als we afgemeerd zijn en ik de fooi gedeeld heb met de kapitein en over het water naar de kade kijk, zwaait ze naar me met haar sigaret die ­oplicht in het duister.

  8. Niet alleen maar geluk

    Vlak voor Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat staat een bord dat een wandelpad belooft. Eenmaal op het pad zie je een ander bord dat zegt: ‘O wat een mooi pad!’

    Dat pad heeft het wel erg getroffen met zichzelf, zou je kunnen denken, maar als je over het glinsterende water van de Schinkel kijkt en de trams in de remise aan de Vaartstraat aan de overkant met huilende geluiden heen en weer ziet rijden, is het duidelijk dat het pad recht van spreken heeft.

    Het pad, dat drie tegels smal is, gaat achter Te Vraag langs en langs de woonboten aan de Schinkel, waarvan de meeste zich als villa hebben vermomd, met riante terrassen voor de deur of op het dak. Aan de stadskant van het pad staan kamperfoelies, boterbloemen, vingerhoedskruiden en op een paal zo’n boekenhuisje.

    De ­inhoud was helaas teleurstellend. Vlak voorbij Poldergemaal Jaagpad 25 A kwam ik een man achterop die een gereedschapskist op zijn schouder droeg. Om me te ­laten passeren, ging hij in de berm staan. “Maar ik mag hier helemaal niet fietsen,” zei ik verontschuldigend. “Van mij wel,” zei hij.

    “Het is hier mooi,” zei ik, ”woont u hier?” De man schudde zijn hoofd. “Ik werk hier,” zei hij. “En het is hier prachtig, maar het is niet alleen maar geluk. Dat schip waar ik werk was bijna gezonken. Ik ben nu al drie maanden bezig.”

    Het volmaakte geluk bleek aan dit zo paradijselijk ogende pad inderdaad niet te vinden, want de snelweg kwam met razende vaart dichterbij. Eenmaal bij de sluis was het lawaai zo oorverdovend dat ik vreesde voor de geestelijk welvaren van de bewoners van de boten hier. Ik zou binnen een dag rijp zijn voor opname.

  9. Afstappen? Dat nooit!

    Vanuit de Vijzelstraat ga ik de Herengracht op om even langs het huis van de burgemeester te ­komen. Als de rondvaartboot langs het huis van de burgemeester voer, zeiden wij: “Hij is thuis, want, kijk, zijn fiets staat voor de deur.” Daar werd altijd om gelachen. Nu valt er niet veel te lachen als je het huis van de burgemeester passeert, alleen maar te hopen, en hem sterkte en het beste te wensen.

    De brug over de Reguliersgracht die ik in zicht krijg, is een van de steilere klimmetjes van onze stad. Tot mijn schrik zie ik dat de brug vol staat met scholieren die poseren voor een groepsfoto. Ik weet hoeveel moeite het mij gaat kosten om boven te komen en welke commentaren dat gaat opleveren.

    Maar afstappen? Dat nooit! en dus begin ik aan de klim en wacht op het ‘hup opa!’ of ‘zet hem op ouwe!’ maar het blijken lieve Italiaanse kinderen die mij stuk voor stuk bemoedigend toelachen. Op de top wuif ik en ze zwaaien terug, allemaal.

    In de afdaling naar de Amstel passeer ik zesenwtintig in identieke T-shirts gestoken bouwvakkers die naast elkaar hun boterhammen met theeworst zitten te ­besmeren. Of was het pindakaas? Het schouwspel heeft me hongerig gemaakt.

    Bij de Tokoman (‘Tokoman/ meester van/ wok en pan’) op het Waterlooplein haal ik zo’n overheerlijk broodje heet rundvlees met zuur en saus, waarmee ik vervolgens op de Blauwbrug op een bankje ga zitten.

    Er staan vijf bankjes, alle vijf zijn ze bezet. ­Iemand zit te zonnen, een stel zit te zoenen, een man leest de krant, er worden sjieke broodjes gegeten en boterhammen met kaas uit een trommeltje, Amsterdammers en toeristen, samen aan de Amstel.

  10. In de straten van Zuid

    Bij Quick, de lijstenmaker op de Ceintuurbaan waar ik een piepklein dingetje bracht om ingelijst te worden, vroeg ik aan Job die onlangs vader is geworden hoe het met de kleine stond, of hij de tafel van acht al kon opzeggen en naar welke middelbare school hij ging en meer van dat soort grootvader flauwiteiten.

    Dat niet nee, maar de baby was inmiddels anderhalf dus kon al wel van alles. “Een beetje Latijn misschien?” zei ik als voorbereiding op een opmerking over Constantijn Huygens die op zijn tweede Vergilius vertaalde, of was het Ovidius.

    “Geen Latijn,” zei Job, “maar wel Grieks.” Mijn mond viel open van verbazing. Job grinnikte, en zei toen dat hij met een Griekse ­getrouwd was.

    Gerustgesteld ging ik de deur uit, richting Concertgebouw en vandaar door de Van Breestraat naar de Valeriusstraat.

    De Valeriuskliniek is definitief verdwenen. Het enige wat nog aan het gebouwencomplex herinnert, is een kale zandvlakte met een hek er omheen. Maar in de straten van Zuid bloeien de rozen, rood en wit, geel en rose, theerozen, tuinrozen, klimrozen tot aan de daklijst of tot in de kruin van een uitgebloeide meidoorn.

    Bij antiquariaat Metamorphose op de hoek met de Hendrik ­Jacobszstraat nam ik de bakken door en kocht voor een euro Karavaanreis door Zuid-Perzië van Maurits Wagenfoort uit 1926, een met prachtige foto’s geïllustreerd boek over een reis door het Perzië van het begin van de twintigste eeuw.

    Toen ik wilde betalen, bleek de boel op slot te zitten, maar een bordje zei: ‘Bij afwezigheid kunt u het geld door de brievenbus doen of later komen afrekenen.’ Met veel plezier heb ik mijn euro door de brievenbus gegooid.