live

Klein geluk in Amsterdam: De hele bliksemse boel

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. De hele bliksemse boel

    Iemand zei dat de Utrechtsestraat de mooiste winkelstraat van de stad is. Daar valt iets voor te zeggen, ­hoewel de Haarlemmerdijk wat mij betreft ook hoge ogen gooit. Opmerkelijk is dat beide straten lange tijd niet meer te redden ­leken.

    In het begin van de jaren­ ­zeventig heb ik een tijdje in een ­erker gewoond op de hoek van Utrechtsestraat en Prinsengracht. De Utrechtsestraat was toen ­ernstig in verval. Overal in de straat stonden op instorten staande huizen in de stutten en de ­middenstand klaagde steen en been.

    De haringkar op de brug hield dapper stand, net als Oosterling en Krom, maar verder was het kommer en kwel. Als je ’s morgens je huis uit kwam, brak je je nek over de gebruikte spuiten en ­condooms.

    Als je ’s nachts thuiskwam, waren alle portieken bezet. In de schemer kwamen ze tevoorschijn, de verslaafde jonge mannen en vrouwen, de travestieten die in de Utrechtsestraat en op het Amstelveld de hoer speelden.

    Als ik het zijraam van de erker openzette, kon ik ze horen ­ruzieën, want ze stonden elkaar allemaal naar het leven. Om iedere klant werd gevochten en de drugshandel die aan de prostitutie vooraf ging en er op volgde, ­verliep ook niet zonder problemen. Ik was ervan overtuigd dat het slecht zou aflopen, dat de verkrotting door zou zetten en dat de hele bliksemse boel tenslotte gesloopt zou worden.

    Maar als een dood gewaande boom kwam de straat weer tot ­leven en werd tot wat hij nu is, een van de mooiste winkelstraten van de stad.

  2. The tram to Rustenburgerstreet

    Als ik het allemaal goed heb uitgerekend, was Cissy van Marxveldt, die toen nog Setske de Haan heette, net achttien, en beeldschoon maar dat terzijde, toen ze op zaterdag 19 december 1908­ ‘s morgens om 8 uur vanuit Engeland aankwam op het Amsterdamse Centraal Station.

    Ze heeft er dan vier niet bijster vrolijke maanden opzitten in Coventry en Bath, waar ze als kindermeisje werd gebruikt terwijl haar Franse en Engelse conversatie en het ­spelen van quatre-mains in het vooruitzicht waren gesteld.

    Maar eenmaal terug in het ­vaderland heeft ze er weer zin in. In Lief dagboek, beste kameraad, haar onlangs gepubliceerde dagboek uit die dagen, vertelt ze hoe ze op het station de Engelse dame uithangt.

    “Can I take the tram here to Rustenburgerstreet?” zegt ze ­tegen een oude man in een blauwe boezeroen die bij het tramhuisje staat. De man is meteen in alle ­staten. Een buitenlandse, en hij praat met d’r! Als ‘line five’ er aan komt, loodst hij haar naar binnen en zegt hij tegen de conducteur: “Engelse. Ik heb maar met haar gesproken jong.”

    Setske komt prompt in een ‘jolige bui’, zoals ik altijd in een jolige bui geraak als ik haar Joop ter Heul herlees. “Als ik alleen maar denk aan de Jopopinoloukiecoclub,” zei ik tegen een dame met wie ik de boekwinkel over Cissy van Marxveldt stond te praten, “zijn alle muizenissen al vervlogen.”

    “Mijn moeder las me voor uit Joop ter Heul,” zei de dame, “maar dan moest ze vaak zo vreselijk lachen dat ze niet meer verder kon. Voor mij was dat een reden om zo snel mogelijk lezen te leren, dan had in mijn moeder bij Joop ter Heul niet meer nodig.”

  3. Een gemankeerd kruispunt

    De stad kent vele fraaie kruispunten, denk aan de kruising van Admiraal de Ruyter en Bos en Lommer, van Ceintuurbaan en Van Wou, van Rijnstraat en Vrijheidslaan, prachtige kruispunten allemaal, maar het mooiste kruispunt is toch de Krommerdt, en dat terwijl de Krommerdt helemaal geen kruispunt is.

    De voortreffelijke Witte de With ligt net verkeerd om de Krommerdt tot een echt kruispunt te maken, net als de Van Speijk. De Krommerdt is een ­gemankeerd kruispunt, denk ik.

    Vanuit mijn geheime uitkijkpost zit ik vaak uren naar de Krommerdt te kijken. Ik houd auto’s in de gaten die in trage stroom oversteken naar de Jan Eef en tel de schaarse auto’s die hun weg vervolgen op de Admiraal de Ruyterweg. Ik zie de 12 en de 14 de hoek omkomen en de hoek omgaan.

    Ik zie bus 18 stoppen op zijn haltes. Soms komen tram en bus tegelijk op de kruising aan, wat een spectaculair schouwspel geeft, want de bocht is te kort om ze tegelijk door te laten, dus een van de twee moet inbinden. Meestal is het de bus.

    Terwijl ik zo zit te kijken, denk ik vaak aan de tijd dat ik me als jongentje op bezoek bij mijn grootouders die op de Rozengracht boven de brandweer woonden op dezelfde manier vermaakte. Hele middagen turfde ik de Blauwe Tram, de Kikker, de 13, plus een aantal automerken, waaronder Volkswagen, Ford en DKW.

    Als mijn oma weleens weg was, pakte ik het tweede deel van ­Vivat’s kleine encyclopedie uit de kast en bekeek bij het lemma ­Nederlandsch-Indië de foto van het Preanger-meisje met een bos hout op haar hoofd dat met ontblote borsten voor een geschilderde palmboom stond.

  4. Thuis, oké, in de tuin, alla

    Op de eerste echte voorjaarsdag zag ik hoe een citroenvlinder de ­Hacquartstraat uit kwam vliegen. “Tegen de regels,” zou Japie van Jan & Japie uit de onvergetelijke strip Heinz hebben gezegd, want zoals eerder opgemerkt, de eerste citroenvlinder zie je in de Bilderdijkstraat.

    Gelukkig ging hij wel in razende vaart, want dat is voorwaarde twee voor het zien van de eerste citroenvlinder.

    In het Vondelpark zag ik even ­later de eerste korte broek. Dat is ook zoiets, de korte broek. Ik had vroeger een vriend die mij in dit jaargetijde opbelde met de vraag of ik de korte broek al aan had. Hij wel, ik meestal nog niet.

    Kortebroekendag zou net zo’n fenomeen kunnen zijn als bloezendag, ware het niet, dat je als fatsoenlijk man de korte broek in het openbaar niet draagt. Thuis, oké, in de tuin, alla, maar in de Leidsestraat?

    Ik herinner me een vakantie-uitstapje met mijn ouders dat ons ­anno 1959 van Perpignan naar Barcelona voerde. Op de kaart kon je duidelijk te zien dat het tweeënhalf uur rijden was naar Barcelona. Maar toen we na zes uur rijden de stad binnenreden, gingen net de rolluiken omlaag.

    Mijn vader vloekte en parkeerde langs de Ramblas, waar alle passerende mannen een pak bleken te dragen. Hij was in korte broek. Dat kwam niet meer goed die dag, want ter plekke een pak kopen ging hem te ver.

    Via de Kinkerstraat ging ik op huis aan, maar voor ik mijn fiets in het rek zette, keek ik in de Boekenpoort of er nog iets te halen viel. De Penguin-uitgave van Anna Karenina. Met het boek in mijn hand betrad ik de binnentuin en keek naar de magnolia die op openbarsten staat. Wat een magnolia!

  5. Eigen mannen zeggen het

    Ik stond een afwasje te doen en dus stond ik te zingen, want als ik afwas, zing ik.

    “Op een bed met stalen ­veren,” zong ik, “lag een cowboy met zijn vrouw/ Hij wou het eens proberen, maar het gaatje was te nauw.” Toen moest ik zo onbedaarlijk lachen, dat ik niet verder kwam.

    Een dag later had ik een afspraak met een vriend die vertelde over iemand die iets fout had gedaan en naar hem toegekomen was om te zeggen dat hij het fout had ­gedaan. “Eigen mannen zeggen het,” zei ik.

    Mijn vriend keek me niet begrijpend aan. Als je op een landje voetbalde met twee hoopjes jassen als doelpalen waren er ­altijd oeverloze discussies of ie zat of dat de bal over was gegaan of ­tegen de niet bestaande lat, dat ie tegen de paal was of binnenkant paal, en soms was er dan iemand van de tegenpartij die zei dat ie zat: “Eigen mannen zeggen het!”

    “Ken je Op een bed met stalen ­veren?” zei ik. Dat kende hij ook niet, waarop ik het voor hem ­gezongen heb, dat wil zeggen het eerste couplet, waarna we de ­resterende tijd vulden met een discussie over anonieme taalkunstenaars van lang geleden.

    De volgende morgen bracht ik een bezoek aan mijn kaasleverancier, die ‘eigen mannen zeggen het’ wel, maar Op een bed met stalen veren niet bleek te kennen.

    Zo kwam het dat ik voor de derde keer in drie dagen hetzelfde liedje zong: “Op een bed met stalen veren, lag een cowboy met zijn vrouw/ Hij wou het eens proberen, maar het gaatje was te nauw/ Na zeven keer proberen, zat hij er eindelijk in/ En negen maanden later, had hij een heel gezin.”

  6. Geruisloos uit ons leven verdwenen

    Zojuist Schoolidyllen van Top Naeff gelezen, een mooi meisjesboek uit 1900. Het is een roman over een vrolijk ‘span’ meiden , met als middelpunt Jet van Marle. Jet is wees, sinds haar vierde ondergebracht bij een tante en oom die ‘haar dulden om het voordeel, meer niet.’

    Ze ambieert een carrière als zangeres, maar ze sterft op haar zeventiende verjaardag aan een onduidelijke ziekte. De andere meisjes uit de klas zijn er vier later nog niet overheen.

    Ik weet nog dat Henk Vos en ik, toen we meneer Smit, onze zieke onderwijzer uit de vierde klas, een cake hadden gebracht en van de James Rosskade langs de Erasmusgracht terugliepen naar onze school in de Egidiusstraat, danig onder de indruk waren.

    Meneer Smit moest wel heel erg ziek zijn als hij ons niet wilde zien. Maar daarna is meneer Smit geruisloos uit ons leven verdwenen.

    Ik kan me niet herinneren dat er over zijn dood is gesproken, zijn begrafenis of crematie hebben wij niet bijgewoond. Wij hadden het druk met het ­plagen van de onafzienbare stoet kwekelingen die meneer Smit kwamen opvolgen.

    De laatste in de rij heette Wijnands. Bij hem moest ik voorlezen uit De bloeiende perelaar, een leesboekje van Jan Mens. De kinderen uit dat boekje gingen een fietstochtje ­maken naar ’t Gooi.

    ‘Fietsen’ was bij ons in de klas een ander woord voor ‘neuken’ en iedere keer als het woord ‘fietsen’ viel, en dat was best vaak, lag de hele klas in een deuk. Na afloop van de les vroeg ­meneer Wijnands me wat er zo grappig was geweest. Ik heb geantwoord dat ik het niet wist.

  7. Waar kleine bloempjes bloeien

    Vannacht, in de ongehoorde stilte van de nacht, moest ik denken aan meneer Smit. ­Meneer Smit werd onze onderwijzer in de vierde klas, de huidige groep zes, met zijn wonderen als breuken, soortelijk gewicht en ­decimalen.

    In de derde hadden we mevrouw Besier gehad, de schrik van de school.

    Moeders namen hun kinderen van school als ze hoorden dat ze Besier kregen. Ze was diep in de tachtig toen ze me een keer opbelde en zei: “Ben jij vandaag niet jarig?” Dat was ik. Mevrouw Besier wordt door mij nog altijd beschouwd als de leukste leraar uit mijn schoolcarrière.

    Meneer Smit was een kleine man met een kaal hoofd en krijt op zijn jasje, het prototype van de ouderwetse onderwijzer. Hij liet zich graag meeslepen door zijn eigen verhalen, over de Witte van Haemstede en de slag op het Manpad of de moord op de voltallige bevolking van de vesting Naarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

    Op zijn best was hij tijdens de zangles. Na het ritueel stemmen met de stemvork dirigeerde hij ons met de blokfluit, een instrument dat hij zelden bespeelde. Onze favoriet was In ‘t groene dal (‘In ’t stille dal/ waar kleine bloempjes bloeien/ daar ruist een blanke waterval/ en druppels spatten overal’).

    Twee van ons mochten dan op de gang staan om de echo te vertolken: ‘Om alle bloempjes te besproeien/ ook ’t kleinste/’ (echo: ‘ook ’t kleinste’), prachtig!

    En toen werd meneer Smit ziek. Wat hij had, wisten we niet, maar misschien kwam hij niet meer ­terug. Samen met Henk Vos mocht ik een cake brengen, naar de James Rosskade waar meneer Smit woonde. Zijn vrouw deed open en bedankte ons voor de cake. Meneer Smit kregen we niet te zien.

  8. Theo's vader had drie broers

    Als Theo op zaterdag naar voetballen ging, zijn kicksen hingen dan met de veters aan elkaar ­geknoopt om zijn nek, kwam hij in de Linnaeusstraat langs de Bio. Zijn ome Ko werkte daar als portier.

    De portier was de als generaal uitgedoste man naast de kassa ­tegen wie je zei dat je twee parket wilde, waarna hij dat tegen de kassière zei die dan tegen de portier zei dat dat samen vier gulden zestig maakte, wat de portier weer ­tegen jou zei, waarna je vijf gulden neerlegde die de portier doorschoof naar de kassière die de kaartjes terugschoof plus een kwartje, een dubbeltje en een ­stuiver.

    Als de portier je je kaartjes overhandigde, pakte jij je wisselgeld, waarbij je een van de drie muntjes liggen liet. Zo kwam het dat Theo’s ome Ko altijd een zak vol kleingeld had, waarvan hij, zeker op zaterdag, wel een dubbeltje voor zijn neefje missen kon.

    Theo’s vader had drie broers die elk op hun eigen zondag bezocht werden. Wij maakten de wandeling die van Theo’s geboortehuis in de Andreas Bonnstraat voerde naar het huis van zijn ome Bennie die samen met zijn vader een steenhouwerij had gedreven.

    Ome Bennie had er een stoflong aan overgehouden, en als hij op zondagmiddag met zijn broer naar het café op de hoek was geweest, moest hij daarna door de mannen de trap op worden gedragen om weer thuis te komen.

    Theo’s vader had het steenhouwen er op een gegeven ogenblik aan gegeven en was tegelzetter ­geworden. Toen dat niet meer ging, werd hij portier bij de ingang van het Aquarium in Artis. Maar voor het zo ver was, had hij de grafsteen gehakt voor de twee broers die hem voorgingen in de dood.

  9. Naast de vogels slaapt mijn moeder

    Sommige buurten lijken wel verlaten, zo stil is het in de straten en op de pleintjes. Geen kinderstemmen, geen winkels, geen mannen aan het werk. Het buurtje achter de Haringvlietstraat is zo’n buurt.

    Om de een of andere reden waan ik mij hier altijd in een ­roman van Willem Frederik ­Hermans. Komt het door de welhaast onheilspellende stilte of is het toch de lichtval?

    Door de Grevelingenstraat ga ik, en door de Roompotstraat naar de Volkerakstraat en dan weer terug naar de Deurloostraat. In de ­Volkerakstraat staat een meidoorn van top tot teen in blad, terwijl de andere meidoorns in de straat het nog op knoppen houden.

    Ik steek de Scheldestraat over en de Maasstraat. In de Waalstraat ga ik rechtsaf. Aan de andere kant van de Kennedylaan vervolg ik mijn weg op de Mirandalaan.

    Langs de Joop ter Heul-villaatjes aan de Zuidelijke Wandelweg ­bereik in de Amstel, waar ik even stil houd om naar het sluisje ­achter de Wandelweg te kijken. ­

    Op Zorgvlied wachten de doden. Hoe vaak zal ik met haar de Fluwelen hoofdlaan zijn afgelopen? Niet eens zo vaak denk ik. We gingen dan naar onze dode vriendin en later kwam haar dode vriendin Marina erbij.

    Ze kijken op elkaar uit die twee, de ene vanonder een stenen drieluikje, de ander vanonder een glazen monumentje met de woorden ‘Naast de vogels slaapt mijn moeder’, wat de kleine Bastiaan zei toen zijn moeder naar haar dood gevlogen was.

    Zo halverwege tussen de twee graven liggen de graven van Maria Catharina de Witte-Schouten en mevrouw C.H. Mulder-Gravemaker. Tussen die twee was nog een plekje vrij. Op het paaltje dat de plek markeert, staat: ‘Gereserveerd per 13/03/’17’. Daar wordt ze vrijdagmiddag begraven, Kitty Courbois.

  10. `Slak, slak, slak, kom uit je huisje¿

    Daartoe aangezet door mijn eigen recensie van De eerste keer dat ik mijn hoed verloor van Colette had ik L’ingénue libertine uit de kast gepakt, de roman die ze in 1909 schreef in opdracht van haar toenmalige echtgenoot Willy. Literatuur in opdracht, maar een meesterwerkje, met een slap slot helaas.

    In het boek zingt Minne, de nog jonge, maar al zeer wulpse hoofdpersoon, een liedje over een slak, ‘Escargot Manigot,/ Montre-moi tes cornes!’, waarin ik zoveel jaar later het ‘Slak, slak, slak, kom uit je huisje’ herkende, dat wij als ­kinderen zongen. Zo’n versje raak je makkelijk kwijt, maar als het ­terugkeert, komt het niet alleen.

    De slakken die wij met ons ­gezang uit hun huisje probeerden te lokken, vonden we in het hoge gras langs de Erasmusgracht die toen nog geen gracht was, maar een kronkelige sloot met boerderijen aan de andere kant van het water. In dat gras begonnen in de zomer een soort aren te groeien, als van koren, maar dan groen.

    De kunst was om zo’n are in iemands trui te stoppen, aan de achterkant en van onderen. Om de een of ­andere reden bleef de are niet waar hij was, maar werkte hij zich in de trui langzaam omhoog wat tot een vermakelijk soort jeuk leidde bij de nietsvermoedende truidrager.

    ‘Lepeldief, lepeldief,’ zongen we dan, waarom weet ik niet meer. Zoals ik ook niet meer weet hoe het versje precies ging dat mijn moeder ’s morgens zo vaak citeerde. Het was verbonden aan het moment van opstaan: ‘Toen Betje uit haar bedje kwam/ En fris ­gewassen en gekleed was/ Keek ze naar haar boterham/ Of die ­alreeds gereed was’.

    Daar klopt iets niet, zoveel is duidelijk, maar wat, ik weet het niet. Ik weet niet veel.