live

Klein geluk in Amsterdam: Niet beroemd, wel leuk

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Nog niet beroemd, maar wel leuk

    Overal in de stad zie je Ed van der Elskens foto van de tweelingzusjes op de Nieuwmarkt anno 1956. Op dat malle gebouwtje voor de badkuip aan het Stedelijk hangt ie zelfs op groot formaat.

    "Wat zagen we er ouderwets uit,” zei een van de zusjes onlangs in de krant, maar het wonder is dat ze er in het geheel niet ouderwets uitzien, maar juist van alle tijden, om niet te zeggen tijdloos.

    Elke keer als ik de zusjes tegenkom, maak ik een buiging. En vraag ik me af hoe ze het zelf ­vinden overal te zien te zijn. Hoe zou ik het vinden als mijn 4711-avontuur uit het midden van de ­jaren zestig ineens in de bioscopen draaide?

    4711 was het soort eau de cologne dat geassocieerd werd met oma’s zakdoek. Om iets aan dat imago te doen, hadden ze een reclamefilm bedacht, waarin twee vlotte jongelui elkaar met 4711 besprenkelden, Jos Brink en ik dus. Jos Brink was toen nog niet beroemd, maar wel leuk.

    We hadden een mooie dag. Dat ik een week later nog naar 4711 rook, was minder, maar de film was ­vervelend. Een tijd lang was het of het overal waar ik kwam naar 4711 begon te ruiken. ­

    Toen alles was overgewaaid, liep ik op een nacht in de Reguliersdwarsstraat langs de MacDonald, een homobar. Kom, dacht ik. “Ben jij homoseksueel?” wilde de portier weten. “Vanavond wel,” zei ik. Dat bleek het goede ­antwoord te zijn.

    Binnen, aan de kop van de bar, stond Jos Brink. Toen hij me zag, plooide zijn gezicht zich tot een ­vileine glimlach. “Doe mij nog een keer hetzelfde,” zei hij tegen de barkeeper, “en voor hem een 4711."

  2. Er was geen stoel 10

    We stonden aan de kassa van de City onze bioscoopkaartjes af te rekenen toen er met enigszins opgestoken veren vier dames de trap afkwamen. “Kunt u ons vertellen,” zei de dame die voorop liep tegen de caissière, “welke film wij hebben gezien?”

    “Als u me zegt in welke zaal u zat, kan ik u dat vertellen,” zei de caissière. “In de verkeerde,” zei de vrouw. “We ­hadden stoel 7, 8, 9 en 10 op de vierde rij, maar er was geen stoel 10 en toen zijn we naar die andere zaal gegaan.”

    “En daar was wel een stoel 10?” mengde ik me in het gesprek. Daar was wel een stoel 10. “Maar,” zei de vrouw, “toen zaten we in de verkeerde film en dus zijn we ­teruggegaan.”

    “Hoe heette die film?” vroeg ik. “Personal shopper,” zei de vrouw. “Maar die ­wilden jullie niet zien?” “Nee, we wilden die andere film zien. Maar we weten niet hoe die heette, want we hebben het ­begin gemist.”

    “En jullie weten ook niet in welke zaal jullie hebben gezeten,” zei de caissière.

    De vrouw keek op haar kaartje en noemde een zaalnummer, welk ben ik vergeten. “Dan hebben ­jullie De ­Zevende Hemel gezien,” zei de caissière. Waarmee hun problemen waren opgelost en die van ons begonnen, want onze film bleek een bord zaagsel dat zich maar niet leeg liet eten.

    Toen we eindelijke naar buiten mochten, stond er een verse rij klaar. Niet zo’n lange rij als in lang vervlogen tijden voor de tweede voorstelling van de Cineac Damrak, maar toch.

    “Ik zou het niet doen,” zeiden mijn vriend en ik dan tegen de wachtenden. “Echt niet doen, want het is verschrikkelijk,” waarna we tevreden naar de kroeg ­togen.

  3. Zeker de grapjas thuis

    De moeder van mijn vriend was onverwacht overleden. Het was hem droef te moede, maar als het hem te machtig werd en hij moest huilen, was er zijn zesjarige dochter van bijna zeven om hem met grapjes op te vrolijken en aan het lachen te maken.

    “Toen we voor de eerste keer naar de tandarts gingen,” zei mijn vriend, “zat er een heel sombere man in de wachtkamer, echt met zo’n gezicht.

    En toen deed ze dat ook. Maar de man was er niet van gediend. ‘Jij bent zeker de grapjas thuis,’ zei hij tegen haar.”

    “Ik wou dat ik een tientje vond,” zei het elfjarige zusje van Bijna ­Zeven dat aan het spelen was met een speelgoedmuis en een ­namaak gatenkaas. “Houden ­muizen echt zo van kaas?” informeerde ze.

    “Jazeker,” zei ik. “Heb je wel eens van Laurel en Hardy gehoord, de Dikke en de Dunne?” Dat had ze niet. ”Die hebben eens een film gemaakt,” vervolgde ik, “waarin ze een muizenval hebben uitgevonden. En dan gaan ze naar Zwitserland om die te verkopen, want in Zwitserland hebben ze heel veel kaas en moeten er dus ook veel muizen zijn.”

    “Ik weet wel een mop over een dikke en een dunne,” zei de oudste dochter. “Een dikke man komt een dunne man tegen en die zegt… nee, wacht even, zo ging het niet.”

    Toen ze de kamer had verlaten om haar moppenboekje te raadplegen, vroeg ik Bijna Zeven ­wanneer ze zeven werd. “In ­februari,” zei Bijna Zeven. ­“Wanneer in februari?” zei ik. Dat wist ze niet. “Maar als je dat niet weet,” zei ik, ”hoe moeten wij dan weten wanneer we je een cadeau-tje moeten geven.”

  4. Een gezicht van lang geleden

    Als je bij de Nieuwezijds Kolk de Kolksteeg neemt en vervolgens de Oudebrugsteeg, de Lange Niezel en de Korte Niezel, loop je in een vrijwel rechte lijn naar de Zeedijk. Waar we de Nieuwendijk kruisten, was het zo druk als in de Kalverstraat op Koninginnedag maar dan met toeristen.

    Damrak druk, Warmoestraat nog drukker, druk op de Oudezijds Voorburgwal, druk op de Oudezijds Achterburgwal, druk op de Zeedijk en ook op de Nieuwmarkt was het een drukte van belang.

    Maar zodra je de Koningsstraat in loopt, verandert er iets. Geen drukke terrassen meer, de toeristen verdwijnen uit beeld, het ­rumoer verstomt.

    In de Korte Koningsstraat zaten vier meisjes voor hun huis op een bordeelrode canapé. Op het tafeltje voor de canapé stonden allerlei heerlijkheden uitgestald. Ik bleef staan en vroeg waarom ze buiten zaten.

    “Waarom niet,” zei een van de meisjes. “Omdat het zonnetje zo lekker schijnt,” zei een tweede, wat waar was, al merkte je er hier niks van.

    “Wilt U misschien een plakje worst?” vroeg een derde. “Of liever een stukje kaas?” Ik koos voor worst. “Een lekker dik stukje,” zei het meisje terwijl ze me mijn plakje worst overhandigde.

    Tevreden vervolgden we onze weg, door de Korte Koningsdwarsstraat naar de Rechtboomsloot en zo naar de Oudeschans.

    De stad was stil en liet een gezicht zien van lang geleden, met veel water, dat blikkerde in de zon, met de Oude Waal en de Binnenkant en schepen waarop een wasje in de wind te drogen hing, met Malle Jaap en de gouden bol op zijn kroon en het schip dat de wind wijst, de Kalkmarkt en het ’s Gravenhekje aan de overkant, als vanouds bereikbaar via de Kikkerbilsluis.

  5. Akela, wij doen ons best

    Onze slager, vet en ­mager, op de Marathonweg noemt mij Guus. Dat bevalt uitstekend. Zijn zoon, die onlangs een baardje heeft genomen, wat hem volgens dames in mijn kennissenkring uitstekend staat, noemt me meneer Guus, ook niet verkeerd.

    Onlangs was hij voor een al wat oudere dame een lamsrollade aan het maken en had daartoe een lam gefileerd. Dat zie je niet vaak meer.

    Slagers doen het echte werk ­vandaag de dag meestal buiten beeld. Zijn werkzaamheden trokken daarom veel bekijks. “Je kan wel met de pet rond,” zei ik.

    Even later begon hij aan het insnoeren, wat het vlees uiteindelijk tot een rollade zou maken. “Deze knoop,” zei hij, terwijl hij iets ­ondoorgrondelijks deed met het rood-witte rolladetouw, “heb ik van een 92-jarige man geleerd, die hem zelf weer van een oude Rus had. Hij is heel anders dan die van mijn vader, want die gaat zo,” en opnieuw deed hij iets ondoorgrondelijks met het touwtje.

    “Ik ben vroeger akela geweest,” zei de dame die de rollade besteld had, “en ik weet dus van knopen, van paalsteek en mastworp, maar deze twee knopen kende ik niet.”

    Onwillekeurig dacht ik: ‘Akela, wij doen ons best/ u kleedt zich uit/ wij doen de rest.’ Ik kon het niet helpen, zoals ik het ook niet helpen kan, dat ik na het woord slager altijd ‘vet en mager’ denken en zelfs vaak zeggen moet.

    Intussen keek ik nog steeds naar het rolladevakwerk, maar in mijn hoofd zong het ‘In negentien-drie- zeven, dan zal je wat beleven/dan komt de jamboree naar Nederland’.

    En toen de rollade klaar was, moest ik me inhouden, anders had ik het laten klinken: ‘G-O-E-D Z-O-O, goedzoo-goedzoo-goedzoozoo!’

  6. Het had iets van een Dakota

    Antiquariaten zijn er om mannen met elkaar te kunnen laten ouwehoeren. De antiquaar in de beste stoel van het huis, een vaste bezoeker in de stoel schuin tegenover hem en staande de man die zojuist binnen is gekomen om ook een duit in het zakje te doen.

    De gesprekken gaan over een niet of juist wel gekocht boek, een zeldzame catalogus, een foto uit de jaren vijftig waarop een schip vol koeien voor ’s Lands Zeemagazijn langs vaart, de man die de Pléiade-albums verzamelde en zijn verzameling compleet had op één na, het onvindbare nummer van het tijdschrift Barbarber, en nog veel veel meer.

    Maar altijd is er de man die vertelt dat zijn vrouw heeft afgekondigd dat er voor elk boek dat hij thuisbrengt een ander boek de deur uitgaat.

    Deze keer bevond ik mij niet in een antiquariaat, maar heel ­toevallig, per ongeluk en in het ­geheel niet expres in een winkel waar een piepklein vliegtuigje te koop stond. Het kwam uit Madagaskar en had iets van een Dakota, maar dan met veel te korte vleugels.

    In de cockpit zaten echte ­ramen en in de romp waren ­venstertjes gestanst. Het was ­gemaakt uit glanzend blik dat ­verrassend goed in elkaar gelast was. Ik hield het tussen duim en wijsvinger en nadat ik had vast-gesteld dat het geluk afgaf, liet ik het inpakken.

    Thuis haalde ik het fonkelende machientje uit het papier en liet het haar vol trots zien. “Prachtig,” zei ze, “maar vanaf nu betekent een vliegtuig erin ook een vliegtuig eruit.”

  7. Macaroni met ham en kaas en spek

    Het was druk in de eerste klas restauratie op het Centraal Station. Aan het tafeltje naast het onze zaten twee mannen met ­elkaar te praten. De ene droeg wandelschoenen, de andere was kaal.

    “Hoe ben jij hier verzeild ­geraakt?” zei de man op wandelschoenen.

    “Ik ben naar de Hema geweest,” zei de kale man, “eerst naar Het Anker en toen met de trein naar Amsterdam om naar de Hema te gaan.”

    “Het Anker is van de Pinkstergemeente,” zei de man van de wandelschoenen tegen mij. “Martin komt ook uit Den Helder, we zijn oude vrienden. Vroeger kwam hij wel eens bij me eten, macaroni, macaroni met ham en kaas en spek. Toen waren we allebei nog getrouwd. Je moet weer eens ­macaroni bij me komen eten, ­Martin. Ik zal het adres voor je ­opschrijven.”

    Terwijl Martin het adres bestudeerde, richtte de wandelschoenenman zich weer tot mij. “Ik ben wezen wandelen,” zei hij. “Bij ­Elburg. Met mijn wandelvriendin.”

    “Moet ik de Ruyghweg af om bij je te komen?” zei de kale man tegen hem. “Weet je die sigarettenwinkel? Daar moet je naar links, dan ben je er zo.” De kale man ging in conclaaf met de plattegrond in zijn hoofd.

    “Ik heb ook een schouwburgvriendin,” zei de wandelaar tegenmij. “En ik zoek nog een knuffelvriendin.”

    “Is die sigarettenwinkel in de ­Fazantenstraat?” zei Martin. ­“Precies,” zei de man met de ­wandelvriendin. “Daar loop je zo de Ooievaarstraat in.”

    “Ga je nog naar de gemeente?” zei Martin.

    “Nee,” zei zijn vriend. “Ik geloof nog wel hoor, Martin, maak je geen zorgen, maar die kerkgenootschappen met al hun regels, dat is niks voor mij. Ik ben een vrije denker.”

  8. Vijf franc voor een echte Tinguely

    In het Stedelijk Museum ­legde ik mijn Premselatasje in een kluis. Toen ik de euro in de gleuf wilde steken om het kastje te sluiten, ontdekte ik dat er nog een euro inzat. Een hele euro, gauw verdiend.

    Ik draaide het kluisje op slot en was op weg naar de toegang tot de zalen toen me een gehaast echtpaar tegemoet kwam. “Ik denk dat ik de ­euro in de kluisdeur heb laten ­zitten,” hoorde ik hem zeggen.

    Even later kwamen ons in een welhaast gewijde stilte de eerste Tinguely’s tegemoet. Even fragiele als doorzichtige kleine machines die doodstil in hun vitrines stonden. Je kon je haast niet voorstellen dat ze nog niet eens zo heel erg lang geleden vrolijk hadden rondgedraaid, om het ronddraaien zelf of om iets maken, een tekening bijvoorbeeld.

    In Parijs, in 1983, kon je zo’n tekenmachine een tekening laten maken. Een vijf francstuk zette de machine in beweging. Vijf franc voor een echte Tinguely, niet gek.

    De stilte in de zalen van het ­Stedelijk wordt af en toe verstoord door gedreun en gehamer van ijzer op ijzer, en zie, om de hoek staan machines die nog werken. Op gezette tijden slaan ze aan om de toeschouwers een brede ­glimlach op het gezicht te toveren.

    Ik heb maar een machine ­gekend die net zo onderhoudend was als een Tinguely. Het was een smalle zwarte doos met in de ­bovenzijde een gleuf. In die gleuf zette je een gulden. De machine zei dan ‘borre borre’ waarna er een luikje openging waar een handje uitkwam dat de gulden uit de gleuf pakte en meenam naar het binnenste van het apparaat.

    Een gulden per voorstelling, niet duur.

  9. De vedette met het spleetje

    Van alle grote voetballers die ik heb zien voetballen, zag ik Piet Keizer het vaakst en het liefst. Piet Keizer was al van Ajax toen Johan Cruijff nog moest verschijnen en toen Cruijff vertrok, bleef Piet gewoon in Amsterdam.

    Piet Keizer was een geniale voetballer. Hij speelde op links en daar beoefende hij de schaar. Ontelbare discussies heb ik bijgewoond over deze schaar. Allerlei mensen heb ik hem zien voordoen op het droge, waarna de discussie werd hervat, totdat iedereen het eens was, dat de schaar een simpel kunstje was, iedereen kon het, en het een wonder was dat verdedigers aller landen er altijd weer ­intrapten.

    “Ze weten dat ie het gaat doen, en als hij het doet, is het te laat.”

    Het was een mysterie, net als Keizer zelf. Piet Keizer leek een beetje luie speler. Vaak leek hij daar maar zo’n beetje te hangen op links, maar wij op de Reynolds ­Tribune wisten wel beter.

    Piet was als een cheetah, met de juiste ­versnelling op het juiste moment. Ik heb hem prachtige doelpunten zien maken, waar je hem vooral niet op moest aanspreken.

    Op het hoogtepunt van zijn roem woonde ik onder hem in een erker op de hoek van de Utrechtsestraat en de Prinsengracht. Zijn oude Peugeot stond aan de gracht. Om de Peugeot heen hingen wachtende fans, vooral op maandag.

    Ik zat dan in die erker ook te wachten. Want ineens zou beneden de deur open gaan, waarna de vedette met het spleetje tussen de tanden zijn sprintje trok en diverse tackles ontwijkend zigzaggend zijn auto bereikte, waar hij in zat voor ze het wisten, om vervolgens vol gas weg te spuiten, de vrijheid tegemoet.

  10. Zacht tromgeroffel en ijle trompetklank

    Ik had een afspraak met een filmproducer, die toen ik Americain binnenkwam in druk gesprek was met ­Misha Mengelberg. Toen ik me aan hun tafeltje vervoegde, haalde de laatste tycoon zijn sigaar uit zijn mond en stelde ik me voor.

    “De held van mijn jeugd,” zei ik tegen Mengelberg terwijl ik zijn hand schudde. Mengelbergs gezicht ­betrok. “Je begint toch niet over die ellendige jazz,” zei hij.

    En dit was dan het eerste gesprek uit de reeks ‘Mijn Gesprekken met Beroemde Jazzmuzikanten.’ Het tweede gesprek, tevens het laatste in de reeks, vond plaats in De Kroeg, waar ik na zo’n drie kwartier wachten de wc opzocht en onderweg op Chet Baker stuitte. “There you are,” zei ik tegen hem, waarop Chet Baker antwoordde met: “Sorry I’m late.”

    Even later haalde hij zijn trompet uit het kistje waarin trompettisten hun trompet vervoeren en blies tot in de kleine uurtjes sterren van de hemel. Niet veel later viel, sprong of vloog hij naar zijn dood.

    ‘Getrokken door een bootje lag hij op een vlot in een bed van stro,’ schreef Johnny van Doorn na de dood van Chet Baker. ’De hele ­route lang door z’n geliefde ­Amsterdam klonken er zacht tromgeroffel en ijle trompetklanken.

    Op de Wallen werden de ­kleurigste boeketten naar zijn baar geworpen. Het bootje sleepte hem het IJ op, richting open zee. Zo had ’t moeten zijn, dacht ik.’

    In werkelijkheid lag Chet Baker opgebaard in een uitvaartcentrum in Zuid. Zijn gezicht was zorgvuldig opgemaakt, maar het bleef een doodshoofd, alleen dood nu. Baker was klein zoals alle doden en zijn trompet, die aan het voeteneinde van kist lag, leek met hem overleden.