live

Klein geluk in Amsterdam: Altijd geld in je zak

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Altijd geld in je zak

    De gelukbrengende ­halve centen, zoals ­verkocht door de postzegelwinkel bij mij om de hoek, kosten twee euro vijftig per stuk, maar voor een tientje koop je er geen vier, zoals ik schreef, maar vijf. Plus dat geluk dus.

    “Ik zal je uitleggen hoe het zit met het geluk,” zei mevrouw Parnassus. “De Surinamers zeggen: ‘Met zo’n halve cent heb je altijd iets van je voorouders bij je,’ en de Antillianen zeggen: ‘Met zo’n halve cent heb je altijd geld in je zak. Je kunt er niks voor kopen, maar het is toch geld’ – mooi hè?”

    “Prachtig,” beaamde ik. Aan de wand, tussen de duizenden postzegelalbums, hing een foto van Parnassus in een vorig bestaan. “Zie je waar het is?” zei de Parnassusmevrouw. Het oude postkantoor in de Gerard Terborgstraat, dacht ik, bijna goed, maar toch fout, want het was het voormalige hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds.

    Ik kwam er graag. Ik was dol op de rijen voor al die loketten, ­loketten voor brieven, loketten voor pakjes, voor postzegels en ­filatelie, voor aangetekende stukken, de postgiro en poste restante, en het leukst van allemaal, voor telegrammen.

    Ik stuurde vaak voor de lol een telegram om het in gedachten te volgen op zijn avontuurlijke reis. Er stonden ook tafels waaraan je plaats kon nemen om een brief te schrijven of zomaar wat te zitten. “Maar er was ook een hoop narigheid,” zei de Parnassiaanse. Het viel niet te ontkennen.

    Weer op straat raakte ik in gesprek met een jongetje met een masker dat hem als hij het opzette in Zorro veranderde. “Zorro!” riep ik geschrokken. Toen ik het poortje naar de binnentuin binnenging, rende hij naar zijn moeder en riep: “Die opa praat met me!”
    Guus Luijters

  2. Op mijn paarse postpapier

    Ik wil niet opscheppen, maar mooi dat ik wel een van de weinige mensen ben die ­zowel Lubbert van Gortel als Drika hebben gekend. Dat komt doordat ik een op een personeelsfeestje ben geweest waar ze allebei optraden. Het feestje vond plaats op de Bep Glasius, het vlaggenschip van Rederij Koppe die zijn schepen achter het Centraal Station had liggen en kantoor hield in het inmiddels verdwenen Storkhuisje.

    Op dat feestje kwamen ze de loopplank over als Henk Jansen van Galen en Annie Palmen, maar al tijdens het schutten in de Oranjesluizen hadden ze zich verkleed als Lubbert en Drika, dit wel zeggen als namaakboer en namaak vissersvrouw in verzonnen klederdracht.

    Ik zei dat ik een groot fan was en altijd naar de Boertjes van Buuten keek, maar ik geloof dat ze mij niet erg geloofden. Ik geloof dat ze zelfs dachten dat ze in de maling werden genomen, maar ik meende het. Ik hield van Boer Biet en de Bietenbouwers, van Gait Jan Kruutmoes en van Bertus Bolknak, zoals anderen van de Beatles hielden of Bob Dylan.

    Ter hoogte van Pampus zongen Lubbert en Drika hun grote hits, Bie mien op de boerderieje , waarin imitator Bertus Bolknak schapen, koeien, kippen en vrouwen imiteert, Zeg weet je dat ik trouwen ga en natuurlijk het onvergankelijke Lieve Frans ik schrijf je hier (‘op mijn paarse postpapier’) met de regels ‘Het is vanavond volle maan/ Ik heb mijn mooiste jurkje aan/ Ik zit hier bij mijn pa en moe/ Kom toch naar me toe!’

    Onlangs zei een of andere wijsneus “Als ik zeg ‘Lubbert van Gortel’, wat zeg jij dan?” Dit dus. En ik zeg: “Als ik zeg ‘Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië, Rusland, Nederland, Engeland’, wat zegt u dan?”

  3. Laatste rondvaart door nacht en gracht

    Het gebouw van Vroom & Dreesman aan het Rokin heb ik altijd een van de mooiste gebouwen van de stad gevonden. Maar als er een nieuwe eigenaar ten ­tonele verschijnt, heb je daar niets aan.

    Meedogenloos gaat de sloopkogel erin, weg schitterende glasgevel, weg uitbouwen en ornamenten, weg meesterwerk van Jan Kuijt (de architect die ook de uitzinnige kerk van Halfweg op zijn naam heeft staan).

    Niemand heeft zijn stem laten horen in een poging dit kwaad te voorkomen en nu is het te laat.

    Een eindje verderop op het ­Rokin is ook iets vreemds aan de hand. Kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae heeft zijn deuren opengegooid en laat middels grote schoolborden weten dat je er terecht kunt voor diner.

    Dat zal schrikken zijn voor al die kunstbaarden (‘De artistieke Staalkaart wordt gepresenteerd door Wim Ibo met zijn artistieke staalbaard’) die daar al sinds mensenheugenis onder elkaar waren voor bier en biljart. Zitten ze plotseling in een club waar iedereen lid van is. Is het dan nog wel een club, kan je je afvragen.

    Als ik langs Arti kom, kijk ik naar het stuk kademuur aan de andere kant van de straat, recht tegenover het kantoortje van rederij Kooij. Uit de nevelen van het verleden doemt een meisje op, een jonge vrouw met donker haar en donkere ogen die haar voeten boven het water bungelen laat, terwijl ze een Dunhill blauw met filter rookt.

    Ik gids een laatste rondvaart door nacht en gracht en als we afgemeerd zijn en ik de fooi gedeeld heb met de kapitein en over het water naar de kade kijk, zwaait ze naar me met haar sigaret die ­oplicht in het duister.

  4. Niet alleen maar geluk

    Vlak voor Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat staat een bord dat een wandelpad belooft. Eenmaal op het pad zie je een ander bord dat zegt: ‘O wat een mooi pad!’

    Dat pad heeft het wel erg getroffen met zichzelf, zou je kunnen denken, maar als je over het glinsterende water van de Schinkel kijkt en de trams in de remise aan de Vaartstraat aan de overkant met huilende geluiden heen en weer ziet rijden, is het duidelijk dat het pad recht van spreken heeft.

    Het pad, dat drie tegels smal is, gaat achter Te Vraag langs en langs de woonboten aan de Schinkel, waarvan de meeste zich als villa hebben vermomd, met riante terrassen voor de deur of op het dak. Aan de stadskant van het pad staan kamperfoelies, boterbloemen, vingerhoedskruiden en op een paal zo’n boekenhuisje.

    De ­inhoud was helaas teleurstellend. Vlak voorbij Poldergemaal Jaagpad 25 A kwam ik een man achterop die een gereedschapskist op zijn schouder droeg. Om me te ­laten passeren, ging hij in de berm staan. “Maar ik mag hier helemaal niet fietsen,” zei ik verontschuldigend. “Van mij wel,” zei hij.

    “Het is hier mooi,” zei ik, ”woont u hier?” De man schudde zijn hoofd. “Ik werk hier,” zei hij. “En het is hier prachtig, maar het is niet alleen maar geluk. Dat schip waar ik werk was bijna gezonken. Ik ben nu al drie maanden bezig.”

    Het volmaakte geluk bleek aan dit zo paradijselijk ogende pad inderdaad niet te vinden, want de snelweg kwam met razende vaart dichterbij. Eenmaal bij de sluis was het lawaai zo oorverdovend dat ik vreesde voor de geestelijk welvaren van de bewoners van de boten hier. Ik zou binnen een dag rijp zijn voor opname.

  5. Afstappen? Dat nooit!

    Vanuit de Vijzelstraat ga ik de Herengracht op om even langs het huis van de burgemeester te ­komen. Als de rondvaartboot langs het huis van de burgemeester voer, zeiden wij: “Hij is thuis, want, kijk, zijn fiets staat voor de deur.” Daar werd altijd om gelachen. Nu valt er niet veel te lachen als je het huis van de burgemeester passeert, alleen maar te hopen, en hem sterkte en het beste te wensen.

    De brug over de Reguliersgracht die ik in zicht krijg, is een van de steilere klimmetjes van onze stad. Tot mijn schrik zie ik dat de brug vol staat met scholieren die poseren voor een groepsfoto. Ik weet hoeveel moeite het mij gaat kosten om boven te komen en welke commentaren dat gaat opleveren.

    Maar afstappen? Dat nooit! en dus begin ik aan de klim en wacht op het ‘hup opa!’ of ‘zet hem op ouwe!’ maar het blijken lieve Italiaanse kinderen die mij stuk voor stuk bemoedigend toelachen. Op de top wuif ik en ze zwaaien terug, allemaal.

    In de afdaling naar de Amstel passeer ik zesenwtintig in identieke T-shirts gestoken bouwvakkers die naast elkaar hun boterhammen met theeworst zitten te ­besmeren. Of was het pindakaas? Het schouwspel heeft me hongerig gemaakt.

    Bij de Tokoman (‘Tokoman/ meester van/ wok en pan’) op het Waterlooplein haal ik zo’n overheerlijk broodje heet rundvlees met zuur en saus, waarmee ik vervolgens op de Blauwbrug op een bankje ga zitten.

    Er staan vijf bankjes, alle vijf zijn ze bezet. ­Iemand zit te zonnen, een stel zit te zoenen, een man leest de krant, er worden sjieke broodjes gegeten en boterhammen met kaas uit een trommeltje, Amsterdammers en toeristen, samen aan de Amstel.

  6. In de straten van Zuid

    Bij Quick, de lijstenmaker op de Ceintuurbaan waar ik een piepklein dingetje bracht om ingelijst te worden, vroeg ik aan Job die onlangs vader is geworden hoe het met de kleine stond, of hij de tafel van acht al kon opzeggen en naar welke middelbare school hij ging en meer van dat soort grootvader flauwiteiten.

    Dat niet nee, maar de baby was inmiddels anderhalf dus kon al wel van alles. “Een beetje Latijn misschien?” zei ik als voorbereiding op een opmerking over Constantijn Huygens die op zijn tweede Vergilius vertaalde, of was het Ovidius.

    “Geen Latijn,” zei Job, “maar wel Grieks.” Mijn mond viel open van verbazing. Job grinnikte, en zei toen dat hij met een Griekse ­getrouwd was.

    Gerustgesteld ging ik de deur uit, richting Concertgebouw en vandaar door de Van Breestraat naar de Valeriusstraat.

    De Valeriuskliniek is definitief verdwenen. Het enige wat nog aan het gebouwencomplex herinnert, is een kale zandvlakte met een hek er omheen. Maar in de straten van Zuid bloeien de rozen, rood en wit, geel en rose, theerozen, tuinrozen, klimrozen tot aan de daklijst of tot in de kruin van een uitgebloeide meidoorn.

    Bij antiquariaat Metamorphose op de hoek met de Hendrik ­Jacobszstraat nam ik de bakken door en kocht voor een euro Karavaanreis door Zuid-Perzië van Maurits Wagenfoort uit 1926, een met prachtige foto’s geïllustreerd boek over een reis door het Perzië van het begin van de twintigste eeuw.

    Toen ik wilde betalen, bleek de boel op slot te zitten, maar een bordje zei: ‘Bij afwezigheid kunt u het geld door de brievenbus doen of later komen afrekenen.’ Met veel plezier heb ik mijn euro door de brievenbus gegooid.

  7. Vergeven van de gangen

    Als ik het goed heb begrepen, is het verschil dat een gang doodloopt en
    een steeg niet (‘een naaimachine naait en een nietmachine niet’). De laatste keer dat ik zo’n doodlopende steeg betrad, had ik geen weet van gangen. Dat kwam pas toen ik uit een bak een ­Amsterdamsch stratenboekje kocht.

    Het is uit 1933, toen het 20 cent kostte. De 25ste herziene en bijgewerkte druk is gedrukt door Drukkerij ‘Velox’ Quellijnstraat 80 b, telefoon 24207 en kostte nu een euro.

    Fascinerende lectuur. In de eerste plaats zijn er de straten die er nog niet waren. Ik was er nog niet in 1933, maar de Esmoreitstraat waar ik geboren ben ook niet. De hele Bos en Lommer moest nog gebouwd worden. De Rivierenlaan was er ook nog niet, maar de Rijnstraat weer wel, net als de Vechtstraat.

    Ook interessant zijn de verdwenen straten, die zich met name in de Jodenbuurt bevonden. De bewoners werden vermoord, hun huizen gesloopt en de straten van de plattegrond verwijderd, Joden Houttuinen, Zwanenburgerstraat, Lange Houtstraat, Moddermolensteeg, Lazarussteeg, Vlooienburg, alles verdwenen.

    Net als de gangen. De eerste straat in het Amsterdamsch stratenboekje is de Aalsmeerdergang, bij de Lindengracht. Daarna spotte ik de Arke Noachsgang, de Baafjesgang en toen maar liefst zes Bakkersgangen. De hele stad bleek vergeven van de gangen, Hoedenmakers, Klokken, Koehouders, Kuipers, Rozenmarijn, Rozennobel, Schelvis, Schoenmakers, Schuitenvoerders, Slachters, Sleepers, gangen, gangen, het houdt niet op.

    De doodlopende steeg die ik aan het begin van dit Gelukje betrad, bevindt zich in de Hazenstraat, zo tussen Kunstverein en Galerie Stigter Van Doesburg. Hij is anderhalve meter breed. De gang heeft geen naam, maar was vroeger, denk ik, een van de acht Gruttersgangen die de stad rijk was.

  8. Iedere dag nieuwe haring

    Voor de draaideur van de Albert Heijn stond een man met vier bananendozen aan zijn voeten. De bananendozen waren op ­elkaar gestapeld en reikten tot iets boven zijn knieën.

    De man keek een tijdje naar de dozen en liet zich toen door de knieën zakken in een poging de vier dozen in een keer op te tillen. Toen dat niet lukte, splitste hij de stapel in tweeën en probeerde twee dozen onder ­iedere arm te nemen.

    Toen dat ook niet lukte, zette hij de vier ­dozen naast elkaar en probeerde ze zo op te tillen, wat niet lukte. Tenslotte stapelde hij ze weer op elkaar, tilde ze op en liep weg. Mij enigszins verbijsterd achter ­latend.

    Bij de boekhandel kocht ik vijf cd’s, dit in verband met een verjaardag. “Zal ik ze apart inpakken?” zei de winkelmevrouw. “Als het niet te veel werk is,” zei ik. “Nee hoor,” zei ze en hup, daar ging ze aan de slag.

    “U ziet,” zei ze, “ik heb dit meer gedaan.” Terwijl ik vol ontzag naar het inpakwerkzaamheden keek, vertelde ik haar over de man met de dozen. “Zo zie je nog eens wat ” zei ze. Hetgeen ik beaamde.

    “Woensdag komt de nieuwe haring,” zei de visboer. “Volgens mij,” zei ik, “is het iedere dag nieuwe haring.” Maar dat was de visboer niet helemaal met mij mee eens.

    Na een jaar in de diepvries werd de haring toch minder, maar ik had gelijk, het was niet meer zo als vroeger, toen haring aan het eind van het seizoen bruine vlekken kreeg en wel erg tranig smaakte.

    Vandaag is de nieuwe haring er weer en zijn alle haringkarren in de stad voor een dag een klein ­cafeetje.

  9. Onze Man in Smilde

    Ik heb een vriend in Smilde. ‘Onze Man in Smilde’, noemen we hem. Als we elkaar spreken, spreken we elkaar in Amsterdam en dan zegt hij dingen als: “Het is opmerkelijk dat het van Smilde naar Amsterdam maar een heel klein stukje is, terwijl het van Amsterdam naar Smilde een reis naar het einde van de wereld lijkt te zijn.” Of: “Als er twee Amsterdammers bij elkaar zitten, nou, berg je dan maar.”

    Dit alles met het accent van de streek. Dat ik herken omdat ik een vorig leven een paar maanden in Zuid-Laren heb gewoond, vlakbij de Brink, boven de elektrawinkel van De Boer. “We binne ghien Drenthen en we binne ghien Grunningers, we binne Zuudlaarders,” zeiden ze in Zuid-Laren. Of woorden van gelijke strekking.

    Het was winter en de kraan van de wastafel op mijn kamer was permanent bevroren, een interessante ervaring. Als ik van station Assen naar Zuid-Laren fietste en dat deed ik af en toe, kwam je langs de hunebedden, grote stenen die op stapeltjes in de hei ­lagen.

    Onze Man uit Smilde en ik spreken af bij Luxembourg of Kapitein Zeppos, waar we bij een broodje gezond ingewikkelde dingen bespreken. Deze keer zaten we in het café van het Stadsarchief.

    Aan het eind van onze bespreking gekomen, stelde ik voor de tram naar het Centraal te nemen. Maar daar voelde Onze Man uit Smilde niets voor. Hij ging lekker op zijn gemak door de Kalverstraat, een beetje snuffelen. Ik was paf, zoals Hanny Michaelis het in haar dagboek noemt. Iemand die voor zijn plezier door de Kalverstraat ging lopen. Het kon niet waar zijn.

    Ik besloot toch eens in Smilde te gaan kijken.

  10. Een van de wonderen van de stad

    Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat is een van de wonderen van de stad. Toen ik er voor het eerst kwam, zo’n vijfenveertig jaar geleden, was het een wildernis. De aula stond op instorten en de graven en de paden tussen de graven waren overwoekerd door onkruid. Maar mooi was het er.

    Ik herinner me dat in het conciërgehuisje bij de ingang nog ­oude kranten op tafel lagen, alsof de Cerberus die de toegang bewaakte nog maar net was vertrokken, terwijl de begraafplaats al sinds 1962 is gesloten.

    De laatste keer dat ik Te Vraag aandeed, was in het begin van de jaren negentig, in het vroege voorjaar. De aula werd bewoond, de ­paden waren weer toegankelijk en de grafstenen zichtbaar.

    Er stonden bijenkorven in de perken, overal bloeiden sneeuwklokjes en de knoppen van de kastanjestruiken liepen roodbruin en kleverig uit.

    Bijna dertig jaar later steek ik het bruggetje dat naar de toegang leidt weer over. In het congiërcehuisje staat een hoog tafeltje met de daarop een vaas met bloemen. Op de trappen voor de aula staan rijen geraniums met een enkele blauwe lobelia ertussen.

    Bij de tuinvrouw die net op haar fiets stapt, informeer ik of ze de geraniums heeft overgehouden, maar nee, dat blijkt niet het geval. “Ons lukt het ook nooit,” zeg ik. “Mijn grootvader knipte ze gewoon af en zette ze op zolder, en in het voorjaar gingen ze weer bloeien.” “Ik denk,” zegt de tuinvrouw, “dat je vroeger betere geraniums had. Tegenwoordig zijn ze allemaal opgekweekt.”

    Over aangeharkte paden loop ik tussen de graven. Er bloeien margrieten, egelantieren, boterbloemen, de buxushagen zijn geschoren. Een tikje keurig allemaal, maar het blijft een wonder, Huis Te Vraag.